Opdracht 1.3 - Grondslagen en ontwerpprincipes van het 4C-ID-model

(Redirected from Grondslagen van het 4C-ID model)

Inleiding

Het 4C-ID-model  integreert een groot aantal (leer)psychologische principes tot een wetenschappelijk verantwoorde methodiek voor het ontwerpen van oefentaken om een bepaalde complexe taak onder de knie te krijgen. Aan het eind van elk hoofdstuk in het boek ‘Ten Steps to complex learning’ (van Merriënboer & Kirschner 2007) worden die principes samengevat. Een korte weergave van deze principes staan in het eerste hoofdstuk van het boek ‘Innovatief onderwijs in de praktijk’ (van Merriënboer, 2011), dat onderdeel is van deze cursus. Het zijn de gekleurde teksten bij: leertaken, taakklassen, niet-routineaspecten en routineaspecten. Het lastige bij het ontwerpen van onderwijs of training met behulp van het 4C-ID-model  is te begrijpen waarom deze principes gebruikt worden om het ontwerpprobleem te kunnen oplossen.

Omdat u het ontwerpprobleem nog niet met alle benodigde ontwerpkennis kunt analyseren (die moet u  eerst verwerven), wordt  met betekenisvolle voorbeelden duidelijk gemaakt hoe het model werkt. Daarna probeert u steeds eerst een gegeven probleem te analyseren en op te lossen. Tenslotte lost u uw eigen ontwerpprobleem op. Geheel volgens de systematiek van het 4C-ID-model: een ‘uitgewerkt voorbeeld’, een ‘aanvulopdracht’ en een ‘gebruikelijk probleem’. Begonnen wordt met verdiepen van het inzicht in enkele van de belangrijkste (leer)psychologische grondslagen. Per grondslag en principe volgen nu enkele inleidende teksten om het lezen van literatuur te kaderen en om de grondslagen en principes met elkaar te verbinden. Vervolgens bestudeert u de  aangegeven literatuur en geeft antwoord op de vraag welke grondslagen om welke reden belangrijk zijn.

1. Holisme

Holisme is een belangrijk ontwerpprincipe van het model. In veel onderwijs wordt theorie, onderverdeeld in vele vakken, los van de praktijk onderwezen. Studenten weten dan in de praktijksituatie nauwelijks welke theoretische principes van belang zijn om praktijkproblemen op te kunnen lossen of taken uit te kunnen voeren. Als de theorie aan de praktijk gekoppeld wordt, is het voor studenten minder belastend om die koppeling te leggen en is het leerproces ook efficiënter te organiseren.
Download: Inaugurale rede Jeroen van Merriënboer Verhaegenleerstoel Universiteit Hasselt (van Merriënboer, 2005). De auteurs schrijven dat het 4C-ID-model  juist synergie schept door de onderlinge samenhang tussen de samenstellende vaardigheden voor een complexe expertise, die in overige onderwijsontwerpen ontbreekt.

De hele-taakbenadering van het 4C-ID-model  is het ontwerpprincipe dat op deze grondslag berust. Alle te ontwerpen leertaken zijn hele taken, die elk het perspectief op het einddoel namelijk de beheersing van de beroepstaak, taak of competentie in zijn geheel beogen. Daardoor verliest de beginnend expert zich niet in details, die hij nog niet kan plaatsen en is de oefening zinvoller.

2 Voorkomen van overbelasting van het kortetermijngeheugen (‘cognitieve belasting’)

Wat men door ontwerpen met het 4C-ID-model  probeert, is cognitieve overbelasting verminderen (meer afhandeling van het kortetermijngeheugen verwachten dan dit aan kan). De Cognitieve Belastings Theorie (Sweller, van Merriënboer & Paas, 1998) is een theorie die richtlijnen biedt voor het omgaan met de beperkte capaciteit van het werkgeheugen.

Het 4C-ID-model  geeft ontwerpstrategieën voor het in de hand houden van de cognitieve belasting. Zowel door de taak inhoudelijk minder zwaar te maken (taakklassen opbouwen van minder naar meer complex) als door doseren van ondersteuning tijdens het leren van de complexe authentieke taak. Dat zijn de twee belangrijkste maatregelen tegen cognitieve overbelasting, maar er zijn er meer, zoals bevorderen van schemaconstructie. Als de beginnend expert, net als de expert in zijn langetermijngeheugen schema’s gevormd heeft, kan hij vanuit zijn werkgeheugen schema’s activeren, waardoor complexere mentale operaties mogelijk worden, die de beginner niet kan uitvoeren zonder die schema’s.

Een makkelijke taak ontwerpen is lastig, want u wilt de authenticiteit van de taak intact laten en toch een eenvoudige versie ontwerpen van de complete taak met behoud van alle kenmerken van de hele taak. Dat veronderstelt dat u kunt analyseren wat een taak moeilijker maakt en waarom. Taakklassen zijn reeksen van steeds andere hele taken op hetzelfde niveau van complexiteit. De taakklassen zijn de grove controle over de mate van complexiteit van de oefentaken.

Een ander ontwerpprincipe van het model waarmee cognitieve overbelasting voorkomen wordt is het bieden van voldoende ondersteuning bij het aanleren van complexe vaardigheden. Goed uitleggen hoe een expert een dergelijk probleem aanpakt of met zo’n situatie omgaat en waarom hij of zij dat zo doet, demonstreren wat aanpak en effecten zijn, beschikbaar stellen van de benodigde kennis, geleidelijk laten oefenen met meer aspecten tegelijk en als de student zelfstandiger kan werken, terugtrekken van de ondersteuning. Dat zijn de strategieën waarmee het aanleren van de vaardigheden ondersteund kan worden en waardoor de student kan groeien naar zelfstandig taakuitvoering.

Bevorderen van transfer van vaardigheden

Als iemand door oefenen met een aantal probleemtaken een vaardigheid onder de knie gekregen heeft, zou het prettig zijn dat hij weet hoe hij het probleem moet aanpakken wanneer hij later in een andere situatie zo’n zelfde soort probleem tegenkomt. En het zou ook goed zijn dat hij voldoende ervaring heeft om het dan ook zelfstandig op te lossen. Dit is nu wat in de leerpsychologie transfer genoemd wordt.

Transfer wordt bereikt in het 4C-ID-model door reeksen leertaken te ontwerpen die voldoende variatie hebben om het type taken zoals de expert die 'in het echt’ tegenkomt af te dekken. In dat geval zal men eerder herkennen dat het om eenzelfde type probleem gaat en dan direct een oplossingsstrategie kunnen vinden en toepassen. In onderstaand plaatje geeft het driehoekje de taakvariatie aan. Dat is met name variatie in de verschillende taken, zoals de expert die dagelijks moet uitvoeren. Transfer wordt bevorderd door op basis van voldoende herhaling en oefening ook nieuwe situaties aan te kunnen.

 

            

Variatie in leertaken. Naar: van Merriënboer, 2011.

 

Schemavorming bevorderen

Cognitieve schema’s zijn de steunpilaren van de expert om de capaciteit van zijn werkgeheugen zo veel mogelijk beschikbaar te hebben voor de probleemoplossing.

Het 4C-ID-model is gericht op bevordering van schemavorming. Door van tevoren een taak of probleem te bestuderen, uitgelegd te krijgen of gedemonstreerd, deze te imiteren met een andere taak, daarna een gedeeltelijk opgelost probleem op te lossen en tenslotte het probleem volledig zelfstandig op te lossen, zorgt u ervoor dat bij de student ‘schema’s' (‘denkgereedschap’) gevormd worden. De vorming van schema’s kunt u nog versterken door bij de uitvoering van taken nogmaals uitleg te geven of de student te vragen zich te verantwoorden voor de toegepaste aanpak en daar feedback op te geven. Dat heet in de terminologie van het 4C-ID-model ‘cognitieve feedback’. Feedback is tevens erop gericht de student te helpen aan criteria voor taakuitoefening op een bepaald niveau van taakuitvoering te voldoen. Dat veronderstelt dat prestatiecriteria in het ontwerp gespecificeerd zijn. Prestatiecriteria zijn in het 4C-ID-model  de basis voor het toets- of assessmentontwerp.

Overigens is schemavorming ook belangrijk bij routinetaken. Ondersteuning daarvan vraagt om een ander type feedback, gericht op automatiseren van taken. Daarbij kijkt de begeleider of de student de procedures en regels correct toepast en als dat niet het geval is, geeft hij aan hoe de student de uitvoering verbeteren moet. Docenten kijken vaak over de schouder mee of studenten het goed toepassen (de zogenaamde Assistent-Looking over your shoulder).

Instructieontwerpmodellen

Merrill beschrijft vijf hoofdprincipes waaraan goede instructie moet voldoen (Merill, 2001). Volgens Merrill voldoet het 4C-ID-model  als enige van de door hem onderzochte ontwerpmodellen aan alle vijf deze principes. Lees de tekst van Merrill en beantwoord voor jezelf de vraag waarom de vijf principes van goede instructie van toepassing zijn op het 4C-ID-model. Beantwoord tevens de vraag waarom een probleemoplossingsstrategie die bij een bepaalde expertise hoort zo’n belangrijke basis is voor goede instructie.

Constructivisme

Het 4C-ID-model  bekent zich volgens de auteur (van Merriënboer 1997, pp. 286-288) tot een (gematigd) constructivisme. Het is goed u even te verdiepen in deze constatering, om het model in de leerpsychologische theorieën te kunnen plaatsen. Anders dan de traditionele kennisoverdrachtsoptiek, richten constructivistische benaderingen van leren zich op cognitieve processen als resultaat van het actief construeren van betekenis of van cognitieve schema’s die begrijpen mogelijk maken. Betekenis ontstaat in een interactie met reële gebeurtenissen (of in trainingscontexten: simulatie daarvan). De hele-taakbenadering is volgens de auteurs niets anders dan schemavorming door inductie en mentale abstractie van probleemcases (leertaken). Daarmee bedoelen zij dat de probleemcases, de leertaken dus, als hele taak onthouden worden en als hele taak herinnerd als men een dergelijk probleem in een andere situatie tegenkomt. Daardoor heeft abstractie plaatsgevonden van de details van de casus en is er een probleemoplossingsschema gevormd. Het proces van abstraheren van details naar oplossingsprincipes heet 'inductie'.

Opdracht

Beantwoord de vraag welke de belangrijkste ontwerpprincipes zijn die in het model gebruikt worden.

Ga verder zelf na, bijvoorbeeld op (internet)bronnen, hoe het constructivisme staat tegenover andere leertheorieën, zoals cognitivisme of behaviorisme. Tracht ook informatie te vinden over welke discussies tussen voor- en tegenstanders van constructivisme actueel zijn. Heeft u hierin zelf een standpunt?

0 Attachments
24176 Views
Comments