Studietaak 3: Het 'Flexibility-Activity' model
Introductie
De meerwaarde van het gebruik van ICT voor leren en doceren staat vandaag de dag niet meer ter discussie. Er wordt echter wel nog steeds vanuit verschillende perspectieven naar het gebruik van ICT gekeken. Enkele daarvan hebt u in studietaak 1 leren kennen via het ‘media versus methods' debat. Daarnaast heeft u in studietaak 2 vooral vanuit een functioneel perspectief naar ICT-toepassingen gekeken; welke rol (docent, coach, mediator) speelt ICT in het onderwijsleerproces?
In deze studietaak kijkt u naar de manier waarop deze rol inhoudelijk wordt vervuld. Aan de hand van het Flexibility-Activity model van Collis en Moonen (2001) wordt het theoretisch-didactische kader van de rol van ICT in leerprocessen verder uitgewerkt. Dit model typeert onderwijs naar de mate waarin het flexibel is en de mate waarin het aanzet tot activiteit. Flexibeler onderwijs is minder tijd- en plaatsgebonden dan het strakke docent-klas model. De activiteitsdimensie geeft aan of het onderwijs gericht is op kennisverwerving door de lerende of op kenniscreatie (het participeren in en bijdragen aan de leer- en kennisgemeenschap). Het Flexibility-Activity model helpt te analyseren hoe met behulp van ICT zowel de flexibiliteit als de activiteit bevorderd kunnen worden. Dit model biedt daarmee een kader voor de analyse en het (her)ontwerp van leersituaties waarin ICT wordt gebruikt.
Collis en Moonen (2001) vatten flexibiliteit op in ruime zin en koppelen dit aan de mate waarin de student eigen keuzen van leersituaties kan bewerkstelligen op dimensies als studietijd en -tempo, inhoud, wijze van communicatie met docenten en medestudenten, enzovoorts. Een cursus kan op deze dimensies flexibeler worden gemaakt. De activiteitsdimensie wordt gebruikt om het onderliggende didactische model te typeren. Collis en Moonen contrasteren hierbij ‘acquisition models' met ‘participation/contribution models'. ‘Acquisition models' leggen de nadruk op verwerving van van tevoren gespecificeerde kennis en de ontwikkeling van van tevoren bepaalde concepten. In ‘participation/contribution models' ligt de nadruk op het bijdragen aan een ‘community of practice'. Het is van belang om een balans te vinden tussen acquisitie en participatie/actief bijdragen.
In de zogenaamde Flexibility-Activity matrix onderscheiden Collis en Moonen (2001) vier kwadranten: van weinig flexibel en vooral op kennisacquisitiegeoriënteerd onderwijs (kwadrant I) tot een hoge mate van flexibiliteit en participatiegeoriënteerd onderwijs (kwadrant IV). Ze beschrijven per kwadrant hoe het onderwijs door verschillende media wordt ondersteund en geven telkens hun verwachting ten aanzien van (toekomstige) ontwikkelingen richting flexibilisering en meer actief onderwijs met name bij het gebruik van de computer en het internet. Ze geven hierbij ook voorbeelden van tools en technologieën die daarbij een rol (kunnen) spelen.
Opdracht
Lees het hoofdstuk van Collis en Moonen (2001). Analyseer op basis van dit hoofdstuk het Flexibility-Activity model en de componenten van deze benadering (actieve, ‘contributing' student, acquisition-contribution dichotomie, cycli van leeractiviteiten). Beantwoord hierbij de volgende vragen:
- Wat is de essentie van het didactische model van Collis en Moonen (2001)?
- Welke leeractiviteiten en werkvormen zijn het meest typerend voor de kwadranten II, III en IV?
- Hoe verhouden ze zich tot het U-model?
- Hoe zou binnen de kwadranten I en II van het Flexibility-Activity model aanvullend gebruik gemaakt kunnen worden van ICT?
- Hoe zou de flexibiliteit en de mate van participatie/bijdragen kunnen worden vergroot? M.a.w., hoe kom je van kwadrant I naar kwadrant III en van kwadrant II naar kwadrant IV?
- Hoe zou ICT daarbij ingezet kunnen worden?