Studietaak 2: Motivatie, zelfregulatie, het ARCS-model en het SRL-model

Introductie

In deze studietaak verdiept u uw kennis van en inzicht in motivatie en zelfregulatie middels het bestuderen van een aantal bronnen over de rol van deze concepten in het leerproces. De term ‘motivatie' is afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘movere' dat bewegen betekent. Het idee van beweging is terug te vinden in alledaagse opvattingen over motivatie als iets dat ons in beweging zet. Sommige motivatietheorieën gaan er van uit dat motivatie verklaart waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen en dan vooral de richting, intensiteit en persistentie van gedrag. De impliciete aanname van dergelijke theorieën is dat motivatie gesitueerd is in een individu. Andere motivatietheorieën beschouwen motivatie echter als een proces dat tot stand komt door de interactie van een individu met zijn of haar omgeving.

Een belangrijk motivatiemodel is het ARCS-model van Keller dat vier condities onderscheidt waaraan voldaan moet worden om lerenden te motiveren. Zo moet de aandacht van lerenden voor een specifieke leeractiviteit worden verkregen en vastgehouden (Attention). Verder moeten lerenden geloven dat deze leeractiviteit gerelateerd is aan persoonlijke doelen en behoeften (Relevance). Daarnaast moeten lerenden het gevoel hebben dat ze in staat zijn om een bepaalde leeractiviteit succesvol af te ronden (Confidence) en ten slotte dient het leren te resulteren in een gevoel van tevredenheid dat aanzet tot verder leren (Satisfaction).

De Self-Regulated Learning theory (SRL) van Pintrich is een belangrijke theorie die ingaat op de rol van motivatie en zelfregulatie in het leerproces. Deze theorie illustreert hoe motivaties, leerstrategieën en metacognitieve zelfregulatie opgevat kunnen worden als een dynamisch systeem van psychologische variabelen. De dynamiek tussen leeromgeving en motivaties, en tussen motivaties en cognitieve leerstrategieën staat centraal. De leeromgeving heeft impact op de motivatie die vervolgens het gebruik van cognitieve leerstrategieën aanwakkert. De leerstrategieën vormen op hun beurt het ‘voedsel' voor metacognitieve zelfregulatie, houden het leerproces op gang en kunnen zelfs weer motiverend werken.

Opdracht

In deze opdracht leest u een aantal bronnen over de rol van motivatie en zelfregulatie in leren. Lees hoofdstuk 9 van het boek van Driscoll (2005) en het theoretisch kader (p. 3 t/m 7) van de paper van Bijker en Van Buuren (z.d.). Tijdens het lezen kunt u de volgende vragen als richtlijn gebruiken:

  • Welke factoren beïnvloeden de motivatie?
  • Welke factoren beïnvloeden denkbeelden rondom zelfeffectiviteit (self-efficacy)?
  • Uit welke componenten bestaat het ARCS-model en hoe kunnen deze componenten worden bevorderd?
  • Welke motivatiedimensies en leerstrategieën onderscheidt het SRL-model?
  • Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen de visie op zelfregulatie en motivatie van Driscoll en Pintrich?

Het is aan te bevelen van elke bron een korte samenvatting te maken, zodat u deze kunt gebruiken bij het uitwerken van studietaak 3. Het antwoord op de laatste vraag over het verschil in visie tussen Driscoll en Pintrich kunt u vergelijken met de terugkoppeling.