<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
  <title>Paul Kirschner</title>
  <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/rss" />
  <subtitle>Paul Kirschner</subtitle>
  <entry>
    <title>As van Wetenschappelijke Kwaad</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/as-van-wetenschappelijke-kwaad" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/as-van-wetenschappelijke-kwaad</id>
    <updated>2013-05-11T05:24:29Z</updated>
    <published>2013-05-11T05:04:43Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Als editor van twee wetenschappelijke tijdschriften geniet ik van het feit dat ik een steentje mag bijdragen aan het ontwikkelen en verspreiden van de wetenschap. Maar ik ben recentelijk opgeschrikt door twee beleidsveranderingen die mij direct treffen. De eerste verandering is van Taylor &amp;amp; Francis en gaat over open access (d.w.z. vrije toegang tot artikelen in hun tijdschriften). T&amp;amp;F hanteert vanaf nu een beleid voor het beschikbaar stellen van hun artikelen dat door de Britse overheid eigenhandig is vastgesteld en waarvan de Britten ervan uitgaan dat de wereld hen zal volgen; “Rule, Brittania”! En wat hebben de Britten bepaald? Ten eerste komt er Gold access voor onmiddellijke toegang tot een artikel, waarvoor de indiener $3000 moet betalen. Dit bedrag koopt ook de mogelijkheid tot verspreiding via Creative Commons. Ten tweede komt er Green access; weliswaar gratis, maar met een embargoperiode van tussen de 12 en 24 maanden! Het ‘goede nieuws’ is dat de auteur een geaccepteerd artikel in haar/zijn eigen repository beschikbaar kan stellen voor derden, maar… T&amp;amp;F bepaalt dat dit alleen geldt voor de submitted versie, dus de eerst ingediende versie en niet de herziene of uiteindelijk geaccepteerde versie. Met andere woorden: de auteur mag een incomplete en niet met het uiteindelijke artikel overeenkomende versie als PDF van een Word-doc op het web zetten! Leve de vrijheid en openheid van de wetenschap!&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Over de tweede beleidsverandering kreeg ik een &lt;a href="http://chronicle.com/forums/index.php?topic=137261.0"&gt;e-mail&lt;/a&gt; met het volgende: “US editors and reviewers can no longer handle submissions by authors employed by the Government of Iran.” Wat is het geval? De Office of Foreign Assets Control (OFAC) van het Amerikaanse Ministerie van Financiën gaat over economische en handelssancties en zij hebben bepaald dat Amerikaanse editors, Elsevier staf en beoordelaars wetenschappelijke manuscripten waarvan een of meer auteurs voor de Iraanse overheid werkt, niet mogen behandelen. Hier de &lt;a href="http://www.gpo.gov/fdsys/pkg/CFR-2010-title31-vol3/pdf/CFR-2010-title31-vol3-sec560-538.pdf"&gt;OFAC-bepaling&lt;/a&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Dit betekent enerzijds dat ‘mijn’ journal zulke manuscripten bij voorbaat afwijst en anderzijds dat ik, als ik toch zo’n besmet manuscript krijg, moet kiezen om het af te wijzen wegens OFAC sancties, omdat (al zou ik niet-Amerikaanse beoordelaars gebruiken) Elzeviers editors ze niet zouden mogen bewerken en het tijdschrift ze niet zou mogen publiceren omdat die in de VS zit! Leve “the land of the free and the home of the brave”!&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Tot slot nog dit. Er blijkt een hele &lt;a href="http://www.rechtencommentaar.nl/images/documents/nrc_wel_kijken_niet_graven.pdf"&gt;rel &lt;/a&gt;te bestaan over het&amp;nbsp;&amp;nbsp;dataminen in de archieven van medische en biologische tijdschriften&amp;nbsp;om de resultaten van alle onderzoekingen over verschillende genetische aspecten van ziektes en aandoeningen bij elkaar te harken en zodoende sneller en gerichter aan geneesmiddelen te werken. Probleem is dat hoewel de onderzoekers al abonnementen hebben op alle tijdschriften, de uitgevers meer geld willen hebben om ze te ‘mijnen’! Leve de vrije markt!&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Hoezee! Hoezee! Hoezee!&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Deze blog verscheen ook op&amp;nbsp;&lt;a href="http://www.campusorleon.nl/system/files/co_times_mei_2013.pdf"&gt;http://www.campusorleon.nl/system/files/co_times_mei_2013.pdf&lt;/a&gt;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-05-11T05:04:43Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Zo word je geen excellente leraar!</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/zo-word-je-geen-excellente-leraar!" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/zo-word-je-geen-excellente-leraar!</id>
    <updated>2013-04-15T13:18:11Z</updated>
    <published>2013-04-15T13:17:27Z</published>
    <summary type="html">&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;strong&gt;Met uiterste verbazing las ik een bijdrage van Rinke Verkerk in VK Banen Special Werken in het Onderwijs van 13 april jl. met de titel “&lt;i&gt;Zo word je een excellente leraar&lt;/i&gt;”. Hierin geeft zij vijf tips voor leraren “op jacht naar de prestatiebonus”.&lt;/strong&gt;&amp;nbsp;Lezend, vroeg ik mij steeds af hoe zij aan die vijf tips kwam? Uit welke onderzoek(en) heeft zij die geplukt of gedestilleerd? Wil je – volgens Verkerk – een topleraar worden moet je aan je imago werken c.q. moet je jezelf verkopen, moet je een eigen stijl ontwikkelen die zij “duidelijkheid” noemt, moet je weten “hoe digitaal wil en kan ik lesgeven?”, moet je excellente kinderen scouten door o.a. talentshows te houden en als je een hekel hebt aan leerlingen (ik verzin het echt niet; een excellente leraar die een hekel heeft aan leerlingen) moet je aan commissies deelnemen, moet je schoolreisjes plannen en/of moet je meehelpen met de administratie. Doe je deze vijf dingen, dan word je excellent en kom je – volgens haar – in aanmerking voor een prestatiebonus. Ik heb het artikel een aantal keer gelezen en heb gezocht naar een zin of zinsnede die mij gerust zou stellen dat het stuk ironisch of sarcastisch bedoeld was of dat de originele datum van het stuk 1 april was. Maar helaas vond ik geen teken van ironie en het was echt geen 1 april grap.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	En wat is nou de werkelijkheid? Wat maakt een gewone leraar excellent? John Hattie, onderwijsonderzoeker&amp;nbsp;&lt;i&gt;par excellence&lt;/i&gt;&amp;nbsp;en directeur van de Melbourne Education Research Institute in Australië publiceerde onlangs een boek (&lt;i&gt;Visible Learning)&lt;/i&gt;&amp;nbsp;waarin hij 816 meta-analyses van onderzoek naar leren en wat leren beïnvloedt analyseerde; in totaal 62.169 studies met meer dan 83 miljoen deelnemers! Met andere woorden hij voerde een meta-meta-analyse uit die 15 jaar heeft gekost. Zijn conclusie over wat de grootste positieve invloed heeft op het leren van leerlingen kan – kort door de bocht genomen – opgesomd worden in drie woorden: de goede leraar. Deze positieve invloed bereiken leraren door invloedrijk / gezaghebbend op te treden, en door zorgzaam en actief betrokken te zijn bij zowel hun eigen wijze van doceren als het leren van hun leerlingen. Excellente leraren hebben ook een zeer gedegen en diepe domeinkennis om betekenisvolle terugkoppeling te kunnen geven over wat ieder leerling in de klas denkt en weet. Hattie concludeert dat “het onweerlegbaar is dat wat leraren weten, doen en waar zij zich voor interesseren” bepalen of er door hun leerlingen goed geleerd wordt.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	En hoe zit het met die leerkracht? Wat onderscheidt een ervaren leraar van een excellente leraar? In 2003 onderzocht hij precies deze vraag. Over de 16 door hem geïdentificeerde “prototypische eigenschappen van docentexpertise”, scoren expertleerkrachten hoger op alle 16. Het voert te ver hier om alle 16 te bespreken, maar de grootste verschillen tussen expert en ervaren leraren zijn te vinden bij de volgende drie eigenschappen:&lt;/p&gt;
&lt;ul style="margin: 0px 0px 16px; list-style-type: circle; list-style-position: initial; padding-left: 20px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; font-size: 12px; line-height: 18px;"&gt;
	&lt;li style="line-height: 1.5;"&gt;
		Challenge (Uitdaging): Expert leraren verstrekken uitdagende taken en leerdoelen aan hun leerlingen aan die ook goed bij de verschillende leerlingen passen. Zij kunnen dit doen omdat zij – zie hierboven - een zeer gedegen en diepe domeinkennis hebben en dus weten wat de leerlingen denken en weten.&lt;/li&gt;
	&lt;li style="line-height: 1.5;"&gt;
		Deep representation (Diep begrip): Expert leraren hebben diepe en uitgebreide representaties van zowel wat doceren is als wat leren is. Hun kennis is ook beter georganiseerd, zij kunnen verbanden beter (uit)leggen tussen leerinhouden en voorkennis, kunnen lesinhouden goed koppelen aan andere onderwerpen in het curriculum binnen en buiten hun eigen vakgebied, enzovoorts.&lt;/li&gt;
	&lt;li style="line-height: 1.5;"&gt;
		Monitoring and feedback (Volgen en terugkoppelen): Expert leraren kunnen de problemen van leerlingen effectief monitoren, zijn in staat het niveau van begrip en vooruitgang van hun leerlingen nauwkeurig te bepalen en geven meer en meer-relevante en bruikbare terugkoppeling.&lt;/li&gt;
&lt;/ul&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Volgens Hattie, kunnen op basis van alle 16 attributen 84% van alle leraren correct worden geïdentificeerd als expert in tegenstelling tot alleen ervaren, maar met alleen de genoemde drie kunnen 80% van de excellente leraren geïdentificeerd worden. Met andere woorden deze drie scheiden het kaf van het koren.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	En hoe word je in werkelijkheid een excellente leraar? Simpel. Door aan de 16 eigenschappen te werken, uitgaande van een diepe en gedegen domeinkennis en een liefde voor jouw vak en jouw leerlingen, maar vooral door te werken aan de top 3 word je een topper.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Zo word je een excellente leraar!&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-04-15T13:17:27Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Leerstrategieën - Toppers en Floppers</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/leerstrategieen-toppers-en-floppers" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/leerstrategieen-toppers-en-floppers</id>
    <updated>2013-04-05T09:39:34Z</updated>
    <published>2013-04-05T09:37:57Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;strong&gt;Tik ‘leerstrategie’ in op Google en binnen 0,36 seconden heb je 107.000 treffers, bij ‘learning strategies’ zijn dat er maar liefst 3.520.000 in 0,42 seconden.&lt;/strong&gt;&amp;nbsp;Al 125 jaar bestuderen wij hoe mensen leren en hoe ons geheugen functioneert. Dat leverde veel ‘leermethoden’ op. Een paar zijn gebleven, velen zijn een zachte dood gestorven. En er zijn ook leerstrategieën die, al zijn ze lang geleden fout bevonden, toch overal in gebruik zijn. Een voorbeeld is het memoriseren (letterlijk uit je hoofd leren) van teksten. Het zou ons geheugen verbeteren: zo zouden we ook andere dingen beter onthouden. Alsof onze hersenen spieren zijn die getraind kunnen worden. En dat klopt dus helemaal niet, zo bewees William James – een van de grondleggers van de onderwijspsychologie – al in 1890. E.L. Thorndike kwam in 1901 tot dezelfde conclusie. Maar mooi dat sindsdien nog hele volksstammen teksten uit het hoofd hebben moeten leren en misschien nog steeds wel moeten.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Wat werkt dan wel? Dat antwoord vinden we in twee recente artikelen uit de gerenommeerde vakbladen&amp;nbsp;&lt;i&gt;Journal of Applied Research in Memory and Cognition&lt;/i&gt;&amp;nbsp;en&amp;nbsp;&lt;i&gt;Psychological Science in the Public Interest.&amp;nbsp;&lt;/i&gt;Hierin worden tien strategieën die redelijk goedkoop (in tijd en geld) zijn en bruikbaar in verschillende situaties, onder de loep genomen. Van deze tien bleken er vijf (redelijk) effectief en vijf niet.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	De vijf strategieën die wel werken zijn (in volgorde van bewezen effectiviteit en efficiëntie):&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;em&gt;1. Gedistribueerd oefenen&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Verspreid het studeren over een langere periode in plaats van langdurig aaneen te blokken voor een tentamen. Het is zelfs zo dat langere pauzes (bijvoorbeeld een of meer dagen) tussen het oefenen beter zijn dan kortere. Door 'vrijaf' te nemen tussen de leersessies herinnert de leerling de voorgaande leersessie beter: het geheugenspoor wordt versterkt.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;em&gt;2. Oefentoetsen&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Laat leerlingen oefenen met het terughalen van wat zij moeten leren. Zo houden zij die informatie beter paraat waardoor zij niet alleen beter in staat zijn om die informatie weer op te halen wanneer die nodig/gevraagd is, maar ook om die informatie te gebruiken/toe te passen in andere, vergelijkbare situaties (betere transfer).&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;em&gt;3. Overlappend oefenen&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Laat het bestuderen van en/of oefenen met een onderwerp overlappen met het bestuderen van/ oefenen met andere onderwerpen. Denk hier aan het leren berekenen van de inhoud van verschillende objecten zoals een kubus, een piramide, een cilinder en een bol. Bij overlappend oefenen leg je niet eerst de formule voor deze vier vormen afzonderlijk uit en ga je daarna oefenen, maar leg je de formules van alle vier uit, gevolgd door afwisselend oefenen. In&amp;nbsp;&lt;i&gt;Ten Steps to Complex Learning,&lt;/i&gt;&amp;nbsp;het boek dat ik samen met Jeroen van Merriënboer schreef, noemen we dat oefenvariatie (variability of practice) en leggen precies uit hoe en waarom dit werkt.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;em&gt;4. Uitweidend bevragen&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Daag een leerling (of jezelf) steeds uit om, bijvoorbeeld, aan te geven waarom iets dat hij leert het geval is. Deze strategie blijkt te werken omdat het de integratie van nieuwe informatie in bestaande schema’s – voorkennis - in het geheugen vergemakkelijkt (Piaget noemde dit&amp;nbsp;&lt;i&gt;assimilatie&lt;/i&gt;).&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;em&gt;5. Zelf uitleg geven&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Laat een leerling zichzelf bevragen en laat hem een proces of procedure aan zichzelf uitleggen. De vraag kan algemeen zijn - ‘Wat heeft wat je net las te maken met wat je al weet?’ - of&amp;nbsp;inhoudsspecifiek&amp;nbsp;‘Waarom is de teller 4 en de noemer 9 in deze stap van de oplossing?’ Deze strategie lijkt op de vorige en de beredenering van de effecten is ook vergelijkbaar.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Vijf strategieën kwamen als slechtste uit de bus. Voor de eerste drie is geen enkel bewijs dat ze effectief dan wel efficiënt zouden zijn:&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;em&gt;1. Verbeelden&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Hierbij vraag je de leerling in zijn/haar hoofd te verbeelden wat er gelezen en/of geleerd moet worden. We kunnen spreken van een grensgeval. Het blijkt namelijk wel goed te kunnen werken, maar alleen met verbeeldingsvriendelijke (dus vaak concrete) leerstof. Bovendien werkt het wel voor het je kunnen herinneren, maar niet voor het kunnen toepassen van het geleerde.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;em&gt;2. Ezelsbruggen&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Deze strategie wordt vaak gebruikt om de betekenis of vertaling van woorden of de terminologie van een vakgebied te leren: de lerende bedenkt een ‘sleutel’ in het ene woord en verbindt die aan het andere woord. Denk aan het moeten leren van de namen van verschillende tanden en kiezen in het Engels. Het woord dat geleerd moet worden is ‘molar’. De leerling moet denken aan / verbeelden van het ‘malen’ van iets (de functie van een molar), dit lijkt op molar en voilà, het wordt geleerd. Helaas lijkt (hoezo hier 'lijkt'?)deze tijdrovende strategie niet echt effectief en zeker niet efficiënt.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;em&gt;3. Samenvatten&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Hierbij wordt de leerling gevraagd om een tekst in het kort weer te geven, bijvoorbeeld de hoofdpunten of hoofdthema’s in een tekst op te schrijven. Hoewel het leren samenvatten een doel op zich kan zijn, blijkt er weinig bewijs te zijn dat het tot beter leren en toepassen van de leerstof leidt. Het werkt wel wanneer de lerende zeer vaardig is in het samenvatten (wat meestal niet het geval is bij kinderen).&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	En nu – houd u vast – de twee leerstrategieën die gewoon niet effectief zijn:&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	4.&amp;nbsp;&lt;em&gt;Highlighten en onderstrepen&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Elke leraar kent teksten waarin de leerling van alles en nog wat heeft onderstreept tot en met bladzijden waarbij een regenboog aan kleurenhighlighters gebruikt is. Deze strategie doet weinig tot niets om leerprestaties te verhogen.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	5.&amp;nbsp;&lt;em&gt;Herlezen&lt;/em&gt;:&amp;nbsp;Dit is misschien wel de meest toegepaste en ook aanbevolen strategie om een tekst beter te leren en te begrijpen. Maar herlezen heeft bijna alleen een positief effect op het memoriseren van wat er in een tekst staat, maar niet op het begrijpen, laat staan op het toepassen daarvan.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Roediger en Pyc (2012) nemen in hun artikel ‘Inexpensive techniques to improve education’ deze top 5 en bespreken hoe de technieken gebaseerd op het cognitiefpsychologische onderzoek daarbij toegepast kunnen worden om het onderwijs te verbeteren. Hun artikel wordt gevolgd door commentaren van vijf vooraanstaande wetenschappers die zowel ondersteuning als enige voetangels en klemmen aan het licht brengen.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Wat als een paal boven water blijft staan, is dat goed onderzoek naar hoe men leert veel kan bijdragen aan het verbeteren van het onderwijs, van groep 1 tot en met de masteropleiding.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Ach, wat kan wetenschap leuk zijn!&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Dunlosky, J., Rawson, K. A., Marsh, E. J., Nathan, N. J., &amp;amp; Willingham, D. T. (2013). Improving students' learning with effective learning techniques: Promising directions from cognitive and educational psychology.&amp;nbsp;&lt;i&gt;Psychological Science in the Public Interest, 14&lt;/i&gt;(1), 4 58.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Roediger, H. L. III, &amp;amp; Pyc, M. A. (2012). Inexpensive techniques to improve education: Applying Cognitive Psychology to enhance educational practice.&amp;nbsp;&lt;i&gt;Journal of Applied Research in Memory and Cognition, 1&lt;/i&gt;, 242-248.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Van Merriënboer, J. J. G., &amp;amp; Kirschner, P. A. (2012).&amp;nbsp;&lt;i&gt;Ten steps to complex learning (Second edition)&lt;/i&gt;. New York: Taylor &amp;amp; Francis.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Volg mij op Twitter @P_A_Kirschner&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Een iets andere versie hiervan kan gevonden worden in&amp;nbsp;&lt;em&gt;Didactief&lt;/em&gt;&amp;nbsp;(April 2013)&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-04-05T09:37:57Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Myth busters De Bruyckere en Hulshof op de goede weg</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/myth-busters-de-bruyckere-en-hulshof-op-de-goede-weg" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/myth-busters-de-bruyckere-en-hulshof-op-de-goede-weg</id>
    <updated>2013-05-08T16:32:56Z</updated>
    <published>2013-03-27T20:14:13Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	&lt;strong&gt;Recensie van het boek&amp;nbsp;&lt;i&gt;Jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs&lt;/i&gt;, Pedro de Bruyckere en Casper Huslhof, LanooCampus / Van Duren Psychologie, 2013. ISBN 978 90 815 1637 2&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Vol verwachtingen klopte mijn hart toen ik in december las dat Pedro de Bruyckere en Casper Hulshof het boek “&lt;i&gt;Jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs&lt;/i&gt;” hadden geschreven maar helaas moest ik nog een paar maanden wachten voordat het op de markt kwam. Nu ik uiteindelijk het boek in handen heb en heb kunnen lezen constateer ik dat het boek het wachten meer dan waard was. Pedro en Casper bespreken 36 gangbare c.q. hardnekkige onderwijsmythes (ik zou de meeste broodje-aap verhalen noemen) verdeeld over vier categorieën, te weten: Mythes over leren, Neuromythes, Mythes over technologie in het onderwijs, en Mythes in onderwijsbeleid. In die verschillende categorieën bespreken zij zeer uiteenlopende mythes zoal de mythe van leerstijlen als basis voor passend onderwijs, Brain Gym als algemene manier om je hersenen te oefenen, dat digitale autochtonen bestaan en over bijzondere gaven beschikken, de effecten van kleinere klassen op het leren en het onderwijs enzovoorts. Zij bespreken alle 36 op een zeer nuchter en evenwichtige wijze, ondersteund door wetenschappelijke bewijsmaterialen (zoals het hoort).&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Om dit ook allemaal begrijpelijker en bruikbaarder te maken, maken zij gebruik van een legenda van drie tekens. Het eerste teken is “&lt;b&gt;: - \&lt;/b&gt;” wat betekent dat de bewering helemaal niet klopt en dat er hier sprake is van een echte mythe. De tweede is “&lt;b&gt;; - |&lt;/b&gt;” wat betekent dat de bewering nog ter discussie staat; dat de wetenschap geen uitspraak mag doen omdat er geen voldoende bewijs is of de onderzoekingen elkaar misschien tegenspreken. De derde is “&lt;strong&gt;: - ?&lt;/strong&gt;” wat betekent dat de bewering onbewezen is; er is geen wetenschappelijk bewijs gevonden voor de bewering (in mijn woorden: prietpraat / borrelpraatjes). Aan het einde van ieder deel vatten zij de zaak samen met wat wij wel of niet weten over het onderwerp van het deel, bijvoorbeeld “Helpt correcte kennis over de hersenen?”. Met andere woorden een heldere uiteenzetting in begrijpelijke taal, genuanceerd waar nodig maar ook resoluut waar nodig en dus een geweldig handvat voor docenten, onderwijsbeleidsmakers en politici.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Maar iedereen die mij kent weet dat ik ook zeer kritisch ben en zelfs ten aanzien van dit voortreffelijke boek heb ik drie kritische opmerkingen. De eerste twee kunnen wellicht handig zijn voor een tweede druk c.q. voor een vervolgboek; de derde is een veel moeilijker probleem waar de auteurs geen schuld aan hebben!&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Mijn eerste opmerking gaat over de indeling. Hoewel de indeling in vier inhoudelijke delen begrijpelijk is, denk ik dat een andere indeling een betere leidraad voor docenten, beleidsmakers en politici had kunnen zijn, namelijk: (1) Welke beweringen zijn pertinente onzin?, (2) Welke beweringen staan nog ter discussie? en (3) Welke beweringen zijn op dit moment losse beweringen / borrelpraatjes? Zo weten wij wat afgevoerd moet worden, wat nog ter discussie staat en wat alleen losse prietpraat is.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Mijn tweede opmerking heeft te maken met het generalisatieniveau van de besprekingen. Het kan het geval zijn dat een bewering een mythe is bij jonge kinderen maar geldigheidswaarde heeft bij adolescenten, dat iets onzin is bij novieten maar interessant kan zijn voor experts. Pedro en Casper: Misschien de basis voor een vervolgboek? Ik hoop het wel!&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Tot slot, mijn moeilijk op te lossen probleem. De auteurs geven aan het einde van het boek een aantal aanbevelingen voor de lezer onder de noemer “&lt;i&gt;Hoe kan ik vermijden dat ik mythes geloof en doorgeef&lt;/i&gt;”. Zij beginnen met een setje vuistregels dat meestal kan worden toegepast. Het gaat hier om vuistregels als “Geeft de auteur aan wat haar/zijn standpunt is?” of “Citeert de auteur onderzoek?”. Het probleem is dat om dit te doen je ook het tweede setje vuistregels moet kunnen uitvoeren zoals bepalen of de gebruikte analyse methodes de juiste waren, bepalen of de steekproef groot genoeg was, enzovoorts. Dit vraagt kennis die – om het voorzichtig uit te drukken – de meeste docenten, beleidmakers en politici helaas niet hebben. Gevolg: de invoering van onzin in het onderwijs.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	En dat kan nu een uitstekende uitdaging / taak zijn van dit blogcollectief. De 'gewone' leerkracht helpen in contact te komen met onderwijsonderzoekers (die hopelijk van onderzoeksmethodologie de nodige kaas hebben gegeten). Dit kan een win-win situatie worden waarbij enerzijds de docent informeel wordt bijgeschoold, terwijl anderzijds de onderzoeker kan leren van de ervaringen van de docent.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; line-height: 18px; margin-bottom: 15px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif;"&gt;
	Wat denken jullie?&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-03-27T20:14:13Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Houston, we have a problem!</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/houston-we-have-a-problem!" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/houston-we-have-a-problem!</id>
    <updated>2013-03-22T21:29:08Z</updated>
    <published>2013-03-22T21:06:33Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Soms wordt een overtuiging opgeblazen tot een pseudowetenschap, door Shermer (1997, p. 33) gedefinieerd als ‘beweringen die zodanig worden gepresenteerd dat zij wetenschappelijk lijken, hoewel zij ondersteunend bewijs en plausibiliteit ontberen’. Aanhangers van pseudowetenschappen zijn vaak te vinden bij gezondheid/geneeskunde (gebedsgenezing, aura-analyse) en de natuurwetenschappen (astrologie, koude kernfusie), maar ook in de sociale wetenschappen (schedelkunde, verdrongen herinneringen).&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	De onderwijskunde lijkt samen met het onderwijs als geheel ook te lijden aan deze aandoening. Een van de best gedocumenteerde voorbeelden is de &lt;em&gt;leerpiramide&lt;/em&gt;. Aanhangers van de leerpiramide beweren dat mensen 5% onthouden van wat zij horen, bijvoorbeeld in een college, 10% van wat ze lezen, 30% van wat zij zien, bijvoorbeeld als iemand iets voordoet, 75% van wat zij zelf doen en 90% van wat zij aan anderen leren (waarbij soms de percentages en de namen van de categorieën variëren). Deze uitspraak wordt wereldwijd en zijd aangehaald, waarbij doorgaans het National Training Laboratories in de VS wordt aangeduid als bron. Er zijn, volgens hen, echter geen onderzoeksgegevens beschikbaar die deze bewering onderbouwen en die zijn er waarschijnlijk ook nooit geweest (zie Lalley &amp;amp; Miller, 2007 of Taylor, 2008 voor een bespreking van de leerpiramide als mythe). In Nederland zijn er vele gevallen te vinden van hogescholen, universiteiten, en zelfs lerarenopleidingen die deze onzin propageren voor en implementeren in hun onderwijs en die onzin ook doorgeven aan hum studenten; d.w.z. onze toekomstige leerkrachten en onderwijskundigen.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	We hebben in het onderwijs, dus, te maken met een zeer populaire en hardnekkige pseudowetenschappelijke bewering en dat brengt zowel de kwaliteit van ons onderwijs als de geloofwaardigheid van de onderwijskunde in gevaar. Hiermee lopen wij het risico terecht te komen in een neerwaartse spiraal: door de populariteit van zulke smythes / urban legends / broodje-aap-verhalen – ook onder onderwijskundigen lijkt de onderwijskunde een betekenisloze hocus-pocuswetenschap en dat maakt het vervolgens steeds moeilijker om waardevolle vernieuwingen te realiseren in het onderwijs.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Hoe kunnen we deze neerwaartse spiraal vermijden? Heel simpel: De onderwijskunde moet worden voortgestuwd door theorieën en theorievorming gebaseerd op empirische data in plaats van door mythes, hypes en methodologisch gebrekkig onderzoek. Er is een kwantumsprong nodig om de stap te maken van &lt;em&gt;mythe-gebaseerd&lt;/em&gt; onderwijs dat steunt op pseudowetenschap naar &lt;em&gt;bewijs-geïnformeerd&lt;/em&gt; onderwijs dat steunt op wetenschap. Maar dit vergt meer dan alleen een vluchtige aanpassing van de gebruikte onderzoeksmethodologie of een keuze voor andere onderzoeksonderwerpen. Het vereist een fundamentele verandering in de wetenschappelijke houding en dit zal niet gemakkelijk zijn. Zo spreken Bennett, Maton en Kervin (2008) in een review van literatuur over digitale autochtonen over een academische vorm van &lt;em&gt;morele paniek&lt;/em&gt;. Volgens Cohen (1973) treedt morele paniek op wanneer er een ‘toestand, belangrijk voorval, persoon of groep van personen naar voren treedt die wordt gezien als een bedreiging voor de maatschappelijke waarden en belangen’ (p.&amp;nbsp;9). In hun artikel beschrijven Bennett, Maton en Kervin waarom zulke mythes, als gevolg van deze acedemisch morele paniek in/voor het onderwijs zo gemakkelijk gehoor vinden en waarom ze zo moeilijk zijn uit te bannen. In de kern draait het om het volgende:&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.4pt;"&gt;
	De argumenten zijn vaak verwoord in dramatische taal, zij verkondigen een vergaande verandering in de wereld en benadrukken grote verschillen tussen generaties. (…) In combinatie met een beroep op het gezond verstand en herkenbare anekdotes worden zulke beweringen gebruikt om een noodtoestand uit te roepen en op te roepen tot urgente en fundamentele veranderingen.&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.4pt;"&gt;
	Wat deze ‘academische morele paniek’ ook typeert, is de structuur van een reeks strak gedefinieerde grenzen: tussen een nieuwe generatie en alle voorgaande generaties, tussen degenen die op technologisch vlak handig zijn en degenen die dit niet zijn, en tussen lerenden en docenten. (…) Zo zorgen de taal van de morele paniek en de strikte grenzen die commentatoren hanteren ervoor dat het debat wordt lam gelegd, waardoor onbewezen beweringen zich ongehinderd blijven verspreiden (pp. 782-783).&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	McRobbie en Thornton (1995) concluderen in hun onderzoek naar het voortbestaan van morele paniek (1) dat het onderwerp van de paniek (in dit geval de problemen in het onderwijs) veel publiciteit krijgt, want de verwachte negatieve gevolgen maken het onderwerp nieuwswaardig en (2) dat het in plaats van iedereen af te stoten juist aantrekkelijk wordt voor mensen die zichzelf zien als progressief en avant-garde. Noymer (2001) vond in zijn onderzoek naar de overdracht en het voortbestaan van urban legends bevestiging voor een niet-liniair model van verspreiding: (…) de snelste weg naar endemie (persistentie) doet zich voor wanneer sceptici een actieve rol spelen en een gerucht proberen te ontkrachten, een proces dat ik ‘autokatalyse’ noem. Dit druist in tegen onze intuïtie, aangezien autokatalyse van scepsis de geruchten zou moeten onderdrukken. (…) Wanneer sceptici echter proberen te voorkomen dat een gerucht zich verder verspreidt, verandert de dynamiek van epidemische cycli naar endemische overdracht; de interventies van sceptici hebben een effect dat tegengesteld is aan hun bedoelingen (pp. 320-321). Met andere woorden: de overtuigingen die iemand koestert blijven intact bij een confrontatie met gegevens die deze overtuigingen ontkrachten of zelfs tegenspreken (Anderson &amp;amp; Kellam, 1992).&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;strong&gt;Houston, we have a problem!&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Noot: Deze blog is deel van een artikel van mij en Jeroen van Merriënboer in Onderwijsinnovatie, maart 2013, 26-28.&amp;nbsp;&lt;a href="http://www.ou.nl/documents/10815/1599185/2013_OI_1.pdf"&gt;http://www.ou.nl/documents/10815/1599185/2013_OI_1.pdf&lt;/a&gt;&lt;/p&gt;
&lt;h1 align="left"&gt;
	Literatuur&lt;/h1&gt;
&lt;p&gt;
	Anderson, C. A., &amp;amp; Kellam, K. L. (1992). Belief perseverance, biased assimilation, and covariation detection: The effects of hypothetical social theories and new data. &lt;em&gt;Personality and Social Psychology Bulletin, 18&lt;/em&gt;, 555-565.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Bennett, S., Maton, K. &amp;amp; Kervin, L. (2008), The ‘digital natives’ debate: A critical review of the evidence. &lt;em&gt;British Journal of Educational Technology, 39&lt;/em&gt;, 775–786.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Cohen, S. (1973). &lt;em&gt;Folk devils and moral panics&lt;/em&gt;. St Albans, UK: Paladin.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Lalley, J. P., &amp;amp; Miller, R. H. (2007): The learning pyramid: Does it point teachers in the right direction? &lt;em&gt;Education, 128&lt;/em&gt;(1), 64-80.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	McRobbie, A., &amp;amp; Thornton, S. L. (1995). Rethinking 'moral panic' for multi-mediated social worlds. &lt;em&gt;The British Journal of Sociology, 46&lt;/em&gt;, 559-574.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Noymer, A. (2001). The transmission and persistence of ‘urban legends’: Sociological application of age-structured epidemic models. &lt;em&gt;The Journal of Mathematical Sociology, 25&lt;/em&gt;, 299-323.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Shermer, M. (1997). &lt;em&gt;Why people believe weird things: Pseudoscience, superstition, and other confusions of our time.&lt;/em&gt; New York: W. H. Freeman and Company.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Taylor, D. (2008). Modern myths of learning: You only remember 10% of what you read. &lt;em&gt;Training Zone&lt;/em&gt;. Geraadpleegd op 15 februari 2009, via www.trainingzone.co.uk/item/185067.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-03-22T21:06:33Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Knollen voor citroenen verkopen oftewel causaliteit uit correlaties persen</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/knollen-voor-citroenen-verkopen-oftewel-causaliteit-uit-correlaties-persen" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/knollen-voor-citroenen-verkopen-oftewel-causaliteit-uit-correlaties-persen</id>
    <updated>2013-05-08T16:38:03Z</updated>
    <published>2013-03-04T09:02:35Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;div&gt;
	Ik ben van huis uit experimenteel psycholoog. Ik heb goed het verschil geleerd tussen correlatie en causaliteit en ben opgevoed met goed gecontroleerde interventieonderzoeken met een controlegroep. Alleen op basis daarvan mag ik een uitspraak doen over de effecten en soms ook over de gevolgen van een interventie. Ik word wel eens voor ouderwets versleten omdat ik hierop blijf hameren, zeker met de nieuwerwetse hang naar onderzoek in de praktijk waarbij – zonder controlegroepen – nieuwe, state of the art statistische technieken zoals &lt;em&gt;structural equation modelling&lt;/em&gt; gebruikt worden als een soort vervanging van een goed experimenteel design.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Wat voelde ik mij heerlijk en ook gesterkt na lezing van een artikel in de &lt;em&gt;Journal of Educational Psychology&lt;/em&gt;, waarin de auteurs [1] schetsen hoe onderzoekers en toptijdschriften op een glibberige helling terecht zijn gekomen en artikelen produceren respectievelijk publiceren met discutabele oorzakelijke beweringen op basis van observationeel en/of correlationeel (obs/cor) onderzoek; blijkbaar meent men dat statistische technieken kunnen worden gebruikt waarvan de daarin aanwezige statistisch causale modellering werkelijke causaliteit kan/mag bewijzen. In hun woorden: “men maakt gebruik van modellen die eigenlijk bedoeld zijn om slecht passende modellen te verwerpen en niet om causale hypothesen te bevestigen” (p. 243). Zij vroegen zich af of hedendaagse onderzoekers geloven dat statistisch modelleren een toverdrank is die meer met hun data kan doen dan eigenlijk mogelijk is; oftewel causaliteit uit correlationele data persen.&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	De auteurs analyseerden ook vier recente jaargangen (1999, 2000, 2009, 2010) van vijf top onderwijspsychologische tijdschriften en vonden er een (1) afname in interventieonderzoek, (2) toename in obs/cor onderzoek, (3) toename van populariteit van statistisch modelleren om obs/cor data te analyseren, en (4) toe-name van prescriptieve uitspraken op basis van zulke obs/cor analyses.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Als algemene richtlijn voor onderzoekers stellen zij voor om Graesser en Hu’s [2] TONS toe te passen. De T is temporality (tijdelijkheid): de oorzaak moet ALTIJD voor het gevolg komen. De O is operativity (operationaliteit): de tijd tussen de introductie van de oorzaak en het optreden van het gevolg MOET redelijk en/of theoretisch onderbouwd zijn. De N is necessity (noodzakelijkheid): er moet bewijs komen/zijn dat zonder de oorzaak het gevolg NIET plaatsvindt. De S is sufficiency (toereikendheid): de oorzaak is aanwezig voor het tot stand komen van het gevolg “when circumstances continue as usual.”&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Als onderzoeker verkoop je geen knollen voor citroenen en pers je geen causaliteit uit correlatie.&lt;/div&gt;
&lt;ol&gt;
	&lt;li&gt;
		Reinhart, A. L., Haring, S. H., Levin, J. R., Patall, E. A., Robinson, D. H. (2013). Models of not-so-good behavior: Yet another way to squeeze causality and recommendations for practice out of correlational data.&amp;nbsp;&lt;em&gt;Journal of Educational Psychology, 105&lt;/em&gt;, 241-247.&lt;/li&gt;
	&lt;li&gt;
		Graesser, A. C., &amp;amp; Hu, X. (2011). Commentary on causal prescriptive statements. &lt;em&gt;Educational Psychology Review, 23&lt;/em&gt;, 279–285.&lt;/li&gt;
&lt;/ol&gt;
&lt;div&gt;
	Deze blog staat ook in COTimes de tweemaandelijkse nieuwsbrief van Campus Orleon &amp;nbsp;&amp;nbsp;http://www.campusorleon.nl&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Zie ook mijn blogs op http://onderzoekonderwijs.net/author/paulkkirschner/&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Ik ben ook te volgen op Twitter: @P_A_Kirschner&lt;/div&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-03-04T09:02:35Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Internetdomheid</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/internetdomheid" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/internetdomheid</id>
    <updated>2013-02-14T14:37:30Z</updated>
    <published>2013-02-14T10:27:54Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;Hier weer een ICT-gerelateerde broodje-aap verhaal, namelijk de tendens om het onderwijs los te weken van het leren van dingen en te veranderen in onderwijs gericht op het zoeken (en hopelijk vinden) van dingen. Uitgangspunt van deze verandering van focus is dat wat wij zouden moeten weten en leren al op het web staat. Docenten hoeven al die vervelende feiten, concepten, enzovoorts niet meer te doceren en studenten hoeven het niet meer te leren en onthouden. Als zij iets nodig hebben of moeten weten, dan Googlen zij dat gewoon. Met andere woorden de trend om te leren door informatie te zoeken.&lt;/span&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;strong&gt;Kennis is houdbaar als verse vis&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Het idee achter de stelling dat doceren/instructie en leren vervangen kunnen worden door het zoeken naar informatie is dat (1)&amp;nbsp;de halfwaardetijd van informatie steeds korter wordt (men zegt soms dat kennis even houdbaar is als verse vis&amp;nbsp;(&lt;span style="line-height: 17.77777862548828px; letter-spacing: 0.01em;"&gt;&amp;nbsp;Roel in 't Veld, ooit kortstondig staatssecretaris zei ooit “Studenten hoeven maar een paar dingen te leren voor ze een beroep gaan uitoefenen…Kennis is net zo houdbaar als verse vis en het geheugen is slecht”. http://www.delta.tudelft.nl/artikel/kort-nieuws/6472&lt;/span&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;) en dat het houdbaarheidstermijn steeds korter wordt) en (2)&amp;nbsp;het weten van iets overbodig is omdat alles op het web staat. De boodschap lijkt te zijn (1)&amp;nbsp;leer het niet omdat het meteen achterhaald of onjuist is en (2)&amp;nbsp;doceer het niet omdat lerenden kunnen het zelf vinden. Men noemt dit de Googlificatie van het onderwijs, een slap aftreksel van &lt;/span&gt;&lt;em style="font-size: 12px; letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;resource-based learning&lt;/em&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt; (Hill &amp;amp; Hannafin, 2001).&lt;/span&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Het idee dat onze kennis snel veroudert klopt niet. Om te beginnen, wij moeten een onderscheid maken tussen kennisveroudering en informatiegroei. Het is inderdaad waar dat in de laatste decennia er een enorme groei is in de hoeveelheid beschikbare informatie. Dit is vooral te danken aan eenvoudige en goedkope distributiemogelijkheden zoals het internet en het World Wide Web. Dit betekent allerminst dat de kennis die bestond voor deze ‘internetrevolutie’ verouderd, irrelevant of niet langer juist is. De beschikbaarheid van nieuwe informatie maakt oude kennis niet minder juist. Sterker nog, het is van uitermate groot belang dat wij over deze kennis beschikken als wij de waarde en juistheid van deze nieuwe informatie willen (kunnen) beoordelen. Het is niet zo dat alles wat op het web staat juist is! Bovendien gaat het niet alleen over het zoeken naar informatie, maar over het zoeken, vinden, evalueren, selecteren, verwerken, organiseren en uiteindelijk presenteren van informatie. Zoals duidelijk werd uit mijn twee voorgaande artikelen in &lt;em&gt;Van 12 tot 18&lt;/em&gt; is dit niet iets dat kinderen vanzelf kunnen. Zoals Hannafin en Hill (2007, p. 526) waarschuwen: terwijl ICT geprezen is voor het potentieel om toegang tot informatie te democratiseren, ‘gebruik daarvan in het onderwijs is en blijft problematisch omdat men niet webvaardig is, wat er op het web staat multi-interpreteerbaar is en omdat het web vol met meningen en propaganda’.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;De verzameling activiteiten en/of vaardigheden die nodig is om goed te kunnen omgaan met deze informatie wordt vaak &lt;em&gt;informatiewijsheid&lt;/em&gt; genoemd, of &lt;em&gt;internetwijsheid&lt;/em&gt; als ICT een belangrijke rol speelt. Een verwante omschrijving is &lt;em&gt;21&lt;sup&gt;e&lt;/sup&gt; eeuw vaardigheden&lt;/em&gt; (European Commission, 2002). Saskia Brand-Gruwel en collega’s&amp;nbsp;laten zien dat het gaat om vaardigheden, kennis en attitudes om:&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;·&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; informatiebehoeften te herkennen&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;·&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; bronnen te kunnen identificeren&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;·&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; relevante informatie te verwerken en te organiseren&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;·&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; gevonden informatie samen te brengen in een product&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;·&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; zelf kennis te construeren&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Onderzoek heeft veelvuldig laten zien (Bilal, 2000; Large &amp;amp; Beheshti, 2000; MaKinster, Beghetto, &amp;amp; Plucker, 2002; Wallace, Kupperman, Krajcik, &amp;amp; Soloway, 2000&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;)&amp;nbsp;&lt;/span&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;dat het oplossen van informatieproblemen (Information Problem Solving: IPS) een majeure, zo niet onbereikbare, cognitieve prestatie is die voor de meeste leerlingen niet weggelegd is. Daarbij is duidelijk (&lt;/span&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;Brand-Gruwel, Wopereis, &amp;amp; Vermetten, 2005; Branch, 2001; Gross &amp;amp; Latham, 2007; Lazonder, 2000)&amp;nbsp;&lt;/span&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;dat leerlingen de zelfregulerende vaardigheden missen om een informatieprobleem goed te definiëren en te identificeren wat zij wel en niet kennen/weten. Samengevat, leerlingen moeten leren hoe informatieproblemen opgelost kunnen worden en zoek- en evaluatiestrategieën verwerven voor dat zij doelmatig en doeltreffend informatie kunnen zoeken, vinden, evalueren, selecteren, verwerken, organiseren en presenteren. Hierbij is de hulp van docenten onontbeerlijk.&lt;/span&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;strong&gt;Het staat op het web!&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Dit brengt ons tot de tweede premisse. Als het allemaal al op het Web staat, waarom moet je het dan nog doceren en waarom moeten studenten het leren? Inderdaad, veel, zo niet alles dat wij moeten leren staat op het Web maar, zoals ik jaren geleden schreef (Kirschner, 1992; 2009): ‘Wat wij weten bepaalt wat wij zien (en hoe wij het zien) en niet andersom’. Als wij niets weten van scheikunde en we lopen een scheikundig laboratorium binnen, zien we alleen vlammen, borrelende vloeistoffen en glaswerk. Als wij een basale kennis hebben van de scheikunde, dus als wij íets weten, dan zien we misschien dat iemand bezig is om iets te destilleren uit een of andere vloeistof. Als we nog meer weten, dan zien we aan de opstelling dat een Erlenmeyerkolf met wat vloeistof erin in een waterbad staat en dat de inhoud van de kolf (dat wat eruit gedestilleerd moet worden) een verdampingspunt moet hebben lager dan 100 graden Celsius (het kookpunt van water). Anders zal er geen verdamping en dus geen destillatie plaatsvinden. Enzovoorts. Onze voorkennis bepaalt grotendeels hoe wij de informatie die wij op het Web tegenkomen zoeken, vinden, evalueren, selecteren, en verwerken. Wij weten uit onderzoek dat het hebben van weinig voorkennis een negatieve invloed heeft op het zoekproces (Fidel et al., 1999; Hirsch, 1999). Studenten met veel voorkennis zijn in het voordeel omdat zij hun voorkennis kunnen koppelen aan het probleem en aan de informatie die zij op het Web vinden (Nievelstein, 2009).&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;div style="margin-left:7.1pt;"&gt;
	&lt;p style="margin-left: 40px;"&gt;
		&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;em&gt;&lt;strong&gt;Intermezzo: Oeps! Beroemde patriot of massamoordenaar?&lt;/strong&gt;&lt;/em&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
	&lt;p style="margin-left: 40px;"&gt;
		&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;In 2011, bij de Republikeinse voorverkiezing voor presidentskandidaten in de VS was Michele Bachman, lid van de Huis van Afgevaardigden uit de staat Minnesota, in Waterloo, Iowa om officieel bekend te maken dat zij campagne zou voeren om presidentskandidate te worden. Voor de draaiende televisiecamera’s en schrijvende pers vertelde zij hoe trots zij was om dit bekend te maken in een dorp waar zo’n een grote en beroemde Amerikaan als John Wayne had gewoond. Helaas voor haar had iemand een beetje verkeerd geGoogled! Waterloo, Iowa was de woonplaats van een ander beroemde (eigenlijk beruchte) John Wayne een melding in Wikipedia®, maar dat was John Wayne Gacy, een seriemoordenaar die veroordeeld en geëxecuteerd werd voor de verkrachting van en moord op 33 jongens en mannen!&lt;/span&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
	&lt;p style="margin-left: 40px;"&gt;
		&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Zoals Sjef van Oekel ooit zei: Jammer, maar helaas.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;/div&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Het feit dat leerlingen gebruik maken van een veelvoud aan ICT-apparaten en door onderwijsgoeroes digitale autochtonen worden genoemd, betekent niet dat zij goede ICT-gebruikers zijn als het om leren gaat. Zij kunnen Googlen, maar missen de informatievaardigheden om informatie doelmatig en doeltreffend te vinden en missen de voorkennis om wat zij gevonden hebben te beoordelen op parameters als juistheid, relevantie en onpartijdigheid. Zo kom je werkstukken tegen over de wetenschappelijke methode volgens Francis Bacon waarbij onwetend informatie is verwerkt over de 20&lt;sup&gt;e&lt;/sup&gt; eeuw Britse kunstenaar Francis Bacon en niet over de 16&lt;sup&gt;e&lt;/sup&gt; eeuwse filosoof, wat de bedoeling is. Of werkstukken over gezonde voeding gebaseerd op websites van fastfoodketens.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;strong&gt;Tot slot&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Hoewel er heel veel zinvolle dingen zijn te zeggen zijn over het gebruik van het web in en voor het onderwijs, er is ook veel onzin. Deze derde aflevering leert de lezer, hopelijk, dat doceren, basiskennis en een kritische houding bijzonder belangrijk zijn willen wij goed, webgebaseerd onderwijs maken en gebruiken. Dit betekent dat wij (1) de docent(e) informatievaardiger moeten maken c.q. helpen te worden en (2) onderwijs ontwikkeld moet worden dat de lerenden informatievaardiger maakt.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;strong&gt;Noot:&amp;nbsp;&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;Deze bijdrage is oorspronkelijk een deel van het hoofdstuk&amp;nbsp;&lt;/span&gt;&lt;em style="font-size: 0.8em; letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;ICT-trends In en Voor het Onderwijs: Wees Voorzichtig met Hypes&lt;/em&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;&amp;nbsp;(Kirschner &amp;amp; Van den Burg) in het&amp;nbsp;&lt;/span&gt;&lt;em style="font-size: 0.8em; letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;WTR Trendrapport 2012 De Bakens verzetten&lt;/em&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;&amp;nbsp;(red. L.A. PLugge). &lt;/span&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;In deze vorm is het verschenen in &lt;em&gt;Van 12-18&lt;/em&gt; (http://www.van12tot18.nl/), februari 2013.&lt;/span&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;span style="letter-spacing: 0.01em; line-height: 1.4;"&gt;Ik ben ook te volgen op Twitter: @P_A_Kirschner&lt;/span&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;&lt;strong&gt;Referenties&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Bilal, D. (2000). Children’s use of the Yahooligans! Web search engine: I. Cognitive, physical, and affective behaviors on fact-based search tasks. &lt;em&gt;Journal of the American Society of Information Science, 51&lt;/em&gt;, 646-665.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Branch, J. L. (2001). Junior high students and think alouds: Generating information-seeking process data using concurrent verbal protocols. &lt;em&gt;Library &amp;amp; Information Science Research, 23&lt;/em&gt;, 107–122.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Brand-Gruwel, S., &amp;amp; Gerjets, P. (2008). Instructional support for enhancing students’ information problem solving ability. &lt;em&gt;Computers in Human Behavior, 24&lt;/em&gt;, 615-622.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Brand-Gruwel, S. &amp;amp; Stadtler, M. (2011). Solving information-based problems: Evaluating sources and information. &lt;em&gt;Learning and Instruction, 21&lt;/em&gt;, 175-179.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Brand-Gruwel, S., Wopereis, I., &amp;amp; Vermetten, Y. (2005). Information problem solving by experts and novices: analysis of a complex cognitive skill. &lt;em&gt;Computers in Human Behavior, 21&lt;/em&gt;, 487-508.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;European Commission (2002). &lt;em&gt;eEurope 2005: An information society for all.&lt;/em&gt; Brussels, Belgium: European Commission.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Fidel, R., Davies, R. K., Douglass, M. H., Holder, J. K., Hopkins, C. J., Kushner, E. J., Miyagishima, B. K., &amp;amp; Toney, C. D. (1999). A visit to the information mall: Web searching behavior of high school students. Journal of the &lt;em&gt;American Society of Information Science, 50&lt;/em&gt;(1), 24-37.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Gross, M., &amp;amp; Latham, D. (2007). Attaining information literacy: An investigation of the relationship between skill level, self-estimates of skill, and library anxiety. &lt;em&gt;Library Information Science Research, 29&lt;/em&gt;, 332-353.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Hannafin, M. J., &amp;amp; Hill, J. (2007). Resource-based learning. In M. Spector, M. D. Merrill, J. van Merriënboer, &amp;amp; M. P. Driscoll (Eds.), &lt;em&gt;Handbook of research on educational communications and technology&lt;/em&gt; (3rd ed., pp. 525–536). Mahwah, NJ: Erlbaum.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Hill, J. R., &amp;amp; Hannafin, M. J. (2001). The resurgence of resource-based learning. Educational Technology, &lt;em&gt;Research and Development, 49&lt;/em&gt;(3), 37-52.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Hirsch, S. G. (1999). Children’s relevance criteria and information seeking on electronic resources. &lt;em&gt;Journal of the American Society for Information Science, 50&lt;/em&gt;, 1265-1283.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Kirschner, P. A. (1992). Epistemology, practical work, and academic skills in science education.&lt;em&gt; Science and Education, 1&lt;/em&gt;, 273-299.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Kirschner, P. A. (2009). Epistemology or pedagogy, that is the question. In S. Tobias &amp;amp; T. M. Duffy (Eds.),&lt;em&gt; Constructivist instruction: Success or failure?&lt;/em&gt; (pp. 144-157). New York: Routledge.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Large, A., &amp;amp; Beheshti, J. (2000). The web as a classroom resource: Reaction from the users. &lt;em&gt;Journal of the American Society of Information Science, 51&lt;/em&gt;, 1069-1080.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Lazonder, A. W. (2000). Exploring novice users’ training needs in searching information on the WWW. &lt;em&gt;Journal of Computer Assisted Learning, 16&lt;/em&gt;, 326-335.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;MaKinster, J. G., Beghetto, R. A., &amp;amp; Plucker, J. A. (2002). Why can’t I find Newton’s third law? Case studies of students’ use of the web as a science resource. &lt;em&gt;Journal of Science Education and Technology, 11&lt;/em&gt;, 155-172.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Nievelstein, F. E. R. M. (2009) Learning law. Unpublished doctoral dissertation. Heerlen, The Netherlands: Open University of the Netherlands.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.45pt;"&gt;
	&lt;span style="font-size:12px;"&gt;Wallace, R. M., Kupperman, J., Krajcik, J., &amp;amp; Soloway, E. (2000). Science on the Web: Students online in a sixth-grade classroom. &lt;em&gt;Journal of the Learning Sciences, 9&lt;/em&gt;, 75-104.&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-02-14T10:27:54Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Te triest voor woorden</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/te-triest-voor-woorden" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/te-triest-voor-woorden</id>
    <updated>2013-01-30T20:49:59Z</updated>
    <published>2013-01-30T20:48:50Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p style="color: rgb(34, 34, 34); font-size: 14px; font-family: 'Open Sans', 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 23px; margin-bottom: 0.825em;"&gt;
	&lt;strong style="font-size: 14px; font-style: inherit; line-height: 1.7;"&gt;Een waarschuwing vooraf: De volgende korte tekst bevat schokkende uitspraken.&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="color: rgb(34, 34, 34); font-size: 14px; font-family: 'Open Sans', 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 23px; margin-bottom: 0.825em;"&gt;
	Niets vermoedend, zit ik op de bank het &lt;em&gt;NRC Handelsblad&lt;/em&gt; te lezen. Na een paar artikelen te hebben gelezen over de ontvreemde en te koop aangebodene Cito-toets sla ik het bladzijde om om de volgende kop te lezen:&lt;/p&gt;
&lt;p style="color: rgb(34, 34, 34); font-size: 14px; font-family: 'Open Sans', 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 23px; margin-bottom: 0.825em; text-align: center;"&gt;
	&lt;strong style="font-size: 14px; font-style: inherit; line-height: 1.7;"&gt;Studenten HvA ‘voor niets geleerd’&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="color: rgb(34, 34, 34); font-size: 14px; font-family: 'Open Sans', 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 23px; margin-bottom: 0.825em;"&gt;
	Nieuwsgierig begin ik te lezen. Blijken afgestudeerden van een of andere opleiding geen banen te kunnen vinden? Moeten alle studenten van een studie opnieuw examen doen omdat er nu op de HvA was? Van alles en nog wat gaat door mijn hoofd. Wat blijkt? Er waren kennelijk niet genoeg tentamens gedrukt voor propedeuse&amp;nbsp;studenten van de opleiding Media, Informatie en Communicatie van de HvA en dus moesten de studenten een paar dagen wachten met tentamen doen.&lt;/p&gt;
&lt;p style="color: rgb(34, 34, 34); font-size: 14px; font-family: 'Open Sans', 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 23px; margin-bottom: 0.825em;"&gt;
	En toen begon het bij mij te dagen. Zeker toen ik las dat een woordvoerder voor de HvA zei: „We wilden het zo snel mogelijk laten plaatsvinden. Dan zit de geleerde stof nog in het geheugen.” Pardon? Wij hebben het over jonge volwassenen met - naar ik mag aannemen - gezonde en bijna volledig ontwikkelde hersenen. In de 3 a 4 dagen zullen zij niet allemaal de ziekte van Alzheimer of Korsakov krijgen waardoor hun lange termijn geheugen aangetast wordt en zij niets meer kunnen herinneren.&lt;/p&gt;
&lt;p style="color: rgb(34, 34, 34); font-size: 14px; font-family: 'Open Sans', 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 23px; margin-bottom: 0.825em;"&gt;
	Maar toen ik het volgende citaat van een student las begreep ik het helemaal: „Toen het tentamen werd afgelast, was er gejuich. Maar dat ging al snel over in teleurstelling, want we hadden voor niets geleerd.” Voor niets geleerd? Voor niets geleerd!&lt;/p&gt;
&lt;p style="color: rgb(34, 34, 34); font-size: 14px; font-family: 'Open Sans', 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 23px; margin-bottom: 0.825em;"&gt;
	Schokkend! En triest! Te triest voor woorden.&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-01-30T20:48:50Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Evidence-based: De nieuwe heilige graal?</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/evidence-based:-de-nieuwe-heilige-graal-" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/evidence-based:-de-nieuwe-heilige-graal-</id>
    <updated>2013-01-29T06:57:53Z</updated>
    <published>2013-01-29T06:54:39Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;div&gt;
	Ik begin deze stream-of-consciousness (en mogelijk foutenvolle) blogpost na een gesprek met een wetenschapsjournaliste over een radioprogramma over ‘evidence-based onderwijs’. Haar uitgangspunt was dat ik een tegenstander van evidence-based was. Ik probeerde haar uit te leggen dat ik echte problemen heb met evidence-based, maar niet met handelen op basis van solide bewijs. Ook niet met het idee dat je keuzes in het onderwijs moet maken op basis van het best beschikbare bewijs. Wij bespraken het verschil tussen ‘alledaagse waarnemen ’ en ‘wetenschappelijk waarnemen’ (Ton Derksen), het verwarren van doel (bv. competentiegericht onderwijs) en middel (bv. het studiehuis), en hoe epistemologie en didactiek door elkaar lopen waarbij men vaak de eerste probeert te gebruiken als de laatste. Ik legde ook uit dat mijn standpunt was: Wat je in wil invoeren in het onderwijs moet gebaseerd zijn op goed wetenschappelijk onderzoek. In het gesprek – trouwens een zeer goed gesprek – kwam zij een paar keer terug met “maar het klinkt alsof jij eigenlijk een voorstander bent van evidence-based”.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Ik probeerde uit te leggen dat het geen kwestie van voor of tegen is. Dat het anders / subtieler is. Men wil al te snel de discussie simplificeren naar voor en tegen: “If you’re not with us, then you’re against us!” Dit werd gebruikt door Nixon bij de tegenstanders van de oorlog in Vietnam en door Bush bij welk kritisch geluid dan ook over zijn beleid. Men vindt het makkelijk en ook overzichtelijk om meningen en mensen in kampen in te delen. Helaas!&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Maar wat is het dan? Waar sta ik op deze kwestie?&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Ik ben een voorstander van het doen van goed onderzoek (lees: onderzoek dat op theorie gebaseerd is en volgens wetenschappelijke methoden uitgevoerd wordt) en het handelen naar de resultaten daarvan (lees: op basis van hard bewijs). Waar ik geen voorstander van ben is het gebruik van evidence-based als een keurmerk; als een soort heilige graal voor het onderwijs. “If it’s evidence-based, then it works!” Zo’n keurmerk willen politici, bestuurders, en beleidsmakers al te graag. Als je iets dat evidence-based is invoert, dan zal het werken. Als het niet werkt is het de schuld, dus, van een andere. Maar dat is echt te simpel.&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	Onderwijs is geen farmacie en doceren is niet doseren. Hoe een pil werkt en of die werkt is afhankelijk van veel dingen (bv. leeftijd, gewicht, wanneer en hoe vaak je de pil slikt, of je die slikt op een nuchtere maag of niet…) maar niet wie de pil aan je geeft. Hoe en of het evidence-based onderwijs werkt is ook afhankelijk van veel dingen (bv. leeftijd, klas, domein…) maar OOK van wie het onderwijs verzorgt. De beste didactiek ter wereld kan vernietigd worden door een slechte docent(e) en een krakkemikkige didactiek kan tot leren leiden overgebracht door een goede docent(e).&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	En hier ligt de crux. Evidence-based geeft niet de garantie die men zoekt. Goede docenten daarentegen wel. Maar wat is een goede docent(e)? In mijn ogen is een goede docent(e) iemand die:&lt;/div&gt;
&lt;ol&gt;
	&lt;li&gt;
		beschikt over zeer veel en zeer diepgaand kennis van het domein dat zij/hij doceert. Een goede docent(e) beheerst het domein waarin zij/hij doceert op een conceptueel / abstract niveau. Dit geldt niet alleen op VWO-niveau maar op alle niveaus. Realistisch rekenen is niet per definitie goed of slecht, maar het kan alleen goed werken (hier parafraseer ik collega Theo Wubbels bij het afscheid van Koeno Gravemeijer van de UU) als de leerkracht de wiskundige concepten die onder het rekenen zitten beheerst. Als de leraar niet snapt waarom delen door een fractie gelijk is aan vermenigvuldigen met de inverse daarvan, kan zij/hij nooit zorgen voor kernvragen waardoor het kind kan reflecteren op zijn eigen handelen (Realistisch Rekenprincipe 3: Reflectie op eigen producties) laat staan een adviserende en ondersteunende rol spelen bij het uitvoeren en oplossen van de rekenopdrachten (Realistisch Rekenprincipe 4: Interactieve karakter van het leerproces).&lt;/li&gt;
	&lt;li&gt;
		beschikt over een uitgebreide eigen persoonlijk professionele theorie (PPT; met dank aan Harmen Schaap voor deze term) van pedagogisch-didactisch handelen die bijna dagelijks geüpdate wordt. Deze PPT is gebaseerd enerzijds op onderwijskundige en onderwijspsychologische kennis en inzichten opgedaan in de opleiding en het bijhouden van het vak (i.e., levenlang leren) en anderzijds op het wetenschappelijk waarnemen, analyseren en interpreteren van haar/zijn dagelijks handelen in de klas en de resultaten daarvan. Alleen met een goed ontwikkelde PPT en een wetenschappelijke houding tegenover wat je ziet en ervaart is het mogelijk om goed na te gaan waarom iets dat “had moeten werken” niet werkte of waarom het niet werkte bij bepaalde leerlingen of in jouw situatie. Het voorkomt ook attributie; dat wil zeggen: Als zij het hebben geleerd heb ik goed lesgegeven en als zij het niet hebben geleerd hebben zij niet goed opgelet!&lt;/li&gt;
	&lt;li&gt;
		in staat is deze eigen PPT van pedagogisch-didactisch handelen toe te passen in haar/zijn handelen in de klas. Met andere woorden, het toepassen van kenmerken 1 en 2 in het onderwijs/lesgeven.&lt;/li&gt;
&lt;/ol&gt;
&lt;div&gt;
	Om een einde te breien aan deze meanderende blogpost het volgende. Evidence based is geen keurmerk. Evidence-based (in de geneeskunde) houdt in “het expliciet, oordeelkundig en consciëntieus gebruikmaken van het beste beschikbare bewijs bij het maken van een keuze”. En dit bewijs hoort verkregen te worden door goed wetenschappelijk onderzoek. Dat wil zeggen onderzoek met duidelijke onderzoeksvragen, echte hypothesen die getoetst kunnen worden, een goed gecontroleerd interventie met een zinvolle controle conditie, duidelijke verwachtingen die objectief gemeten kunnen worden, enzovoorts. Goed onderwijsbewijs is een hulpmiddel om een degelijke keuze te maken en niet een garantie voor onderwijssucces!&lt;/div&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-01-29T06:54:39Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Geef ons driesterrenonderzoek</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/geef-ons-driesterrenonderzoek" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/geef-ons-driesterrenonderzoek</id>
    <updated>2013-01-28T08:12:54Z</updated>
    <published>2013-01-28T08:05:49Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;div&gt;
	&lt;div&gt;
		Ik was echt van plan om enkele interessante wetenschappelijke artikelen hier te bespreken. Ik had zelfs al drie onderwerpen voor ogen. En toen viel het nieuwste&amp;nbsp;&lt;em&gt;Pedagogische Studiën&lt;/em&gt;&amp;nbsp;in de bus, een themanummer over samenwerkingsvormen tussen onderwijsonderzoek en &amp;nbsp;praktijk. Vol goede moed begon ik te lezen, maar al snel bekroop mij een gevoel van onbehagen. Deze onbehagen heeft niets met de bijdragen zelf, noch van de kwaliteit daarvan, maar is zeer algemeen voor mij. Om eerlijk te zijn, dat gevoel heb ik al lang, maar het werd door PS weer aangewakkerd. Het gaat om de (onrealistische) verwachtingspatronen over onderwijsonderzoek en onze gewoonte kampen te vormen die elkaar aanvallen.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Eerst de verwachtingen. Het valt mij op dat als het over onderzoek en onderwijs gaat, men de mond vol heeft over ‘evidence based’ (EB) ofwel ‘op basis van bewijs’. Klinkt goed, maar dit begrip uit de medisch-farmaceutische hoek – een medicijn of behandeling mag pas op de markt komen als de effectiviteit en veiligheid ervan keihard is aangetoond - kun je niet zomaar overhevelen naar onderwijs.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		En dan heb ik het nog niet eens over de vragen of onderwijsonderzoek gerandomiseerd (de gouden standaard bij EB) kan en ethisch gezien (leerlingen een placebo, dus een niet-werkzame methode geven) mag. Kijk, bijvoorbeeld, hoeveel geld en tijd er omgaat in medicijnontwikkeling. We hebben het over een slordige 300 miljoen euro per nieuw geneesmiddel en een ontwikkeltijd van 10-21 jaar, waarbij dat ene medicijn het resultaat is van het testen van duizenden mogelijke kandidaten. R&amp;amp;D beslaat 25% van het budget van deze bedrijfstak!&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Kom daar maar eens om in onderwijs. Volgens collega Jochems aan de TU Eindhoven was in 2007 in heel Nederland 40-60 miljoen euro per jaar voor onderwijsonderzoek beschikbaar op een onderwijsbudget van 29 miljard euro (1 promille!). Bovendien gaat het in onderwijsonderzoek vaak om kortlopende projecten van hooguit vier jaar die maximaal 200.000 euro mogen kosten. En daarna verwacht de maatschappij resultaten die bruikbaar zijn voor het onderwijs, anders is het ‘irrelevant’.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Ik zou mij helemaal kunnen vinden in een EB-aanpak als de geldschieters bereid zijn 10 21 jaar onderzoek Nederlandbreed te financieren voor ėėn effectieve leermethode uit duizenden geteste methodes. Dat is weinig realistisch. Toch lijkt er wel beweging in het veld: het recent opgerichte Regieorgaan Onderwijsonderzoek moet ervoor zorgen dat het beschikbare geld voor onderwijsonderzoek effectiever en efficiënter wordt ingezet.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Wil dat succesvol zijn, dan moeten we kappen met de gewoonte kampen te vormen en elkaar aan te vallen. Wij hebben het vaak genoeg gezien: constructivisme versus instructivisme, nieuw leren versus traditioneel en dus oud leren, enzovoorts.&amp;nbsp;&lt;em&gt;Science Digest&amp;nbsp;&lt;/em&gt;heeft net een bijdrage geplaatst op het web over toegepast versus praktijkgericht onderzoek, Pedagogische Studiën praat over fundamenteel (mijn woorden, zij hebben het over RDD ofwel Research, Development, Diffusion) versus ontwerpgericht onderwijsonderzoek (design research) en mijn OU-collega Martens spreekt over Modus 1 versus Modus 2 onderzoek. We kiezen ieder onze eigen theorie, stroming of filosofie en bestrijden de ander op leven en dood om te laten zien dat onze zienswijze de enige echte is. Komt u dat bekend voor?&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Dit alles is zo ontzettend krom! Het wordt tijd dat wij hiermee GEWOON ophouden. Er is niet ėėn wijsheid of aanpak die heilig of heilzaam is. Laten onderwijsgevers en &amp;nbsp;onderzoekers zich liever gedragen als driesterrenkoks. Een topchef gebruikt gereedschappen, technieken en ingrediënten om perfecte maaltijden te maken. Zij verheffen geen gereedschap (hakmes versus keukenmachine), techniek (stoven versus braden) of ingrediënt (pastinaak versus zwezerik) tot alleenzaligmakend. En een toponderwijsgever of -onderzoeker hoort hetzelfde te doen. Gebruik alle gereedschappen (van klassikaal t/m informeel leren), alle technieken (labexperimenten t/m ontwerponderzoek) en alle ingrediënten (van specifieke domeinkennis tot en met sociale vaardigheden) en maak driesterrenonderwijs c.q. doe driesterrenonderzoek. Het gaat niet om fundamenteel of praktijkonderzoek, maar om op de praktijk gericht wetenschappelijk onderzoek.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Geef ons dus driesterrenonderzoek. Regieorgaan, denkt u mee?&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Deze post is ook te vinden in het blad&amp;nbsp;&lt;em&gt;Didactief&amp;nbsp;&lt;/em&gt;(Jaargang 43, Nr 1-2, p.40). Kijk verder op www.didactiefonline.nl voor links bij deze post.&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		&amp;nbsp;&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Zie ook mijn blogs op http://onderzoekonderwijs.net/author/paulkkirschner/&lt;/div&gt;
	&lt;div&gt;
		Ik ben ook te volgen op Twitter: @P_A_Kirschner&lt;/div&gt;
&lt;/div&gt;
&lt;div&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/div&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-01-28T08:05:49Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Voorbij het Broodje Aap: Op naar een Onderwijs Théâtre de l'Absurde</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/voorbij-het-broodje-aap:-op-naar-een-onderwijs-theatre-de-l-absurde" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/voorbij-het-broodje-aap:-op-naar-een-onderwijs-theatre-de-l-absurde</id>
    <updated>2013-01-12T07:59:22Z</updated>
    <published>2013-01-11T11:57:19Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 1.5; margin-bottom: 15px;"&gt;
	&lt;strong style="font-size: 12px; font-style: inherit; line-height: 1.5;"&gt;Wij zijn het broodje-aap-verhaal voorbij en aanbeland in een onderwijskundig Théâtre de l’Absurde, een onderwijsdenken waarin logica en argument schijnbaar achteloos plaats maken voor ongefundeerde en irrationele prietpraat. Neem bijvoorbeeld&amp;nbsp;&lt;i style="font-size: 12px; font-weight: inherit; line-height: 1.5;"&gt;31 Surprising Facts About Learning (http://www.teachthought.com/learning/31-facts-about-learning).&lt;/i&gt;&amp;nbsp;Floor Basten, oprichtster van en kracht achter [Campus]OrléoN - een netwerk van en voor o.a. buitenpromovendi en academici die onderzoek – stuurde deze link aan mij, wetend van mijn grote liefde voor het bespreken van onzin in het onderwijs en in het onderwijsonderzoek.&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 1.5; margin-bottom: 15px;"&gt;
	Wat een lijst! Ik vond er veel lachwekkende, maar ook bijna evenveel kwaadaardige onderwijsonzin waar je misschien 31 blogs over zou kunnen schrijven. Ik beperk me tot “fact 26”: Kinderen die aan lachactiviteiten deelnemen ervaren een toename in geheugenretentie (volgens mij een pleonasme). De stelling: als je lacht is het positief en als het positief is, kun je je herinneren waarom je lachte en dus verbetert deze positieve emotie het onthouden van dingen en dus: begin onderwijs met een lach. Laten wij de claims eens goed doornemen.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 1.5; margin-bottom: 15px;"&gt;
	1. Als je iets positiefs ervaart, zul je later waarschijnlijk ook weten wanneer en waar jij dit ervoer. Klopt! Helaas geldt dit ook voor negatieve ervaringen. Betekent dit dat je onderwijservaringen evengoed kan/moet koppelen aan huilen en verdriet? Ik zie geen reden waarom niet. Dat de situatie waarin wij iets leren invloed heeft op wat wij onthouden, is niet nieuw. Dit heet gesitueerd en/of gecontextualiseerd leren en de basis hiervan is dat als wij iets leren in een betekenisvolle context, wij meer ankers hebben om het weer op te halen.&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 1.5; margin-bottom: 15px;"&gt;
	2. Op de website staat dat lachen het bewijs is van een “betrokken lichaam, geest en hart”, wat de waarschijnlijkheid van de herinnering aan de oorzaak van dit gevoel vergroot. Probleem 1 is dat niets bewezen is. Het is wel aannemelijk dat er een correlatie is, maar een correlationeel verband is geen oorzakelijk verband. Probleem 2 is dat de bewering gaat over de herinnering aan de oorzaak van de emotie en niet aan wat er daarna geleerd of gedoceerd werd. Wat heeft dit met leren te maken?&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 1.5; margin-bottom: 15px;"&gt;
	3. Het bewijs van dit “feit” is dat twee “PhD auteurs, sprekers, en curriculumspecialisten” het zeggen. Aha. Willingham heeft een interessant boek geschreven getiteld&amp;nbsp;&lt;i style="font-size: 12px; line-height: 1.5;"&gt;When Can You Trust the Experts: How to Tell Good Science from Bad in Education&lt;/i&gt;. Een van zijn basisstappen om na te gaan of je iets kan/mag geloven is dat je nagaat of de kwalificaties van de expert relevant zijn voor wat hij of zij beweert. Een snelle websearch leert dat de ene “expert” een kinderopvangadministrator was en nu auteur is met een eigen consultancybedrijf; de andere is logopediste, vroeg interventionist (wat dat ook mag zijn), docent en subsidieadministrator die met autistische kinderen werkt. Volgens mij niet echt relevante kwalificaties. Maar zelfs als de kwalificaties ter zake zijn, dan is, zo stelt Willingham, alléén een kwalificatie een slechte indicator van waarheid is. Feit 26 heb ik hier een beetje ontleed/ontmaskerd; nog 30 te gaan? Wanneer valt het doek voor dit absurdistisch onderwijstheater?&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 1.5; margin-bottom: 15px;"&gt;
	Deze blogpost is ook opgenomen in CO Ti&lt;i style="font-size: 12px; line-height: 1.5;"&gt;m&lt;/i&gt;es, jrg. 5 – januari 2013 en verschhen ook op&amp;nbsp;http://onderzoekonderwijs.net/2013/01/11/voorbij-het-broodje-aap-op-naar-een-onderwijs-theatre-de-labsurde/?preview=true&amp;amp;preview_id=4817&amp;amp;preview_nonce=7de1f4ab39&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 1.5; margin-bottom: 15px;"&gt;
	Ik ben ook te volgen op Twitter: @P_A_Kirschner en op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs:&amp;nbsp;http://onderzoekonderwijs.net/author/paulkkirschner/&lt;/p&gt;
&lt;p style="font-size: 12px; font-family: 'Helvetica Neue', Helvetica, Arial, sans-serif; line-height: 1.5; margin-bottom: 15px;"&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-01-11T11:57:19Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Zonder Respect Geen Goed Onderwijsonderzoek</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/zonder-respect-geen-goed-onderwijsonderzoek" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/zonder-respect-geen-goed-onderwijsonderzoek</id>
    <updated>2013-01-12T08:01:56Z</updated>
    <published>2013-01-07T10:47:05Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Er is en wordt veel gesproken over de samenwerking onderzoek en onderwijs (lees onderzoeker en docent) in het onderwijs. Hier is helemaal niets mis. Waar alle partijen moeten wel rekening houden in dit gesprek dat terwijl beiden onmisbaar zijn als het om onderwijsonderzoek gaat, zij hebben zeer verschillende deskundigheden die – terwijl ze iets met elkaar mee te maken hebben - ook zeer verschillend zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Mijndeskundigheid als hoogleraar cognitie en leren en ook als onderwijstechnoloog – dus als onderzoeker en ook als ontwerper - is het doen van onderzoek en het verrichten van wat ‘instructional design’ heet (het ontwerpen van onderwijssituaties en –omgevingen gericht op het optimaliseren van het leren. Ik kan af een toe een zeer leuke les geven en ik kan heel goed zowel masterstudenten als PhD's begeleiden in hun weg naar een bekwaamheid in het doen van onderzoek (vaak is dit meer opvoeden dan opleiden) maar heb geen kaas gegeten van het voltijds geven van onderwijs. Ik schaam mij hier niet voor maar realiseer en herken ook mijn beperkingen. Ik ben – naar mijn bescheiden mening – een goede onderzoeker omdat ik een vak heb geleerd (onderzoek doen) in een domein dat ik beheers (onderwijspsychologie en -wetenschappen). Terwijl er wel onderzoekers zijn die ook topdocenten zijn, ze zijn zeldzaamheden; de uitzonderingen. Dat je een vak of deelvak (zoals bij sommige hoogleraren) tot in de puntjes beheerst betekent niet dat je in staat bent om het op een didactisch verantwoorde wijze over te dragen aan leken! Ik heb, dus, heel veel respect en bewondering voor docenten die dit wel kunnen en heb geen pretentie dat ik met docenten kan meten op hun gebied. En als ik onderzoek doe maak ik graag gebruik van hun deskundigheid en ik geef aan hen een plaats in mijn onderzoek.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Hetzelfde geldt, maar dan andersom voor docenten. Docenten die in staat zijn om goed onderzoek te bedenken, op te zetten en uit te voeren zijn ook witte raven. Dat zij (misschien geweldig) onderwijs kunnen geven, betekent dit niet dat zij de onderliggende processen goed kunnen ontwaren en dan ook methodologisch verantwoord onderzoek daarnaar kunnen doen. Goede docenten hebben een vak geleerd (onderwijs geven) en beheersen een domein waarin zij les geven (het vak of de vakken waarin zij onderwijs geven). Als zij iets waarnemen in hun omgeving relateren zij dit aan hun eigen pedagogisch didactische theorieën van handelen en passen die aan op basis van deze ervaringen (accommoderen hun schema’s) of verwerken zij deze ervaringen daarin (assimileren in hun schema’s). Hierdoor zijn zij goede docenten.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Zowel doceren als onderzoeken zijn vakken waar je veel voor moet leren en veel tijd in moet steken om ze goed te doen. Docenten hebben een plaats in het onderzoek en onderzoekers hebben een plaats in het onderwijs maar niet dezelfde plaats. Zij moeten en mogen niet om elkaars deskundigheid proberen over te nemen noch aan elkaars deskundigheid te twijfelen. Als zowel docenten als onderwijsonderzoekers allebei overtuigd zijn hiervan dan is het onmogelijk iets anders dan een constructieve gedachtewisseling met elkaar te hebben en uiteindelijk uitsteken onderwijsonderzoek te doen.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Deze post is ook te vinden op&amp;nbsp;http://onderzoekonderwijs.net/2013/01/07/zonder-respect-geen-goed-onderwijsonderzoek/?preview=true&amp;amp;preview_id=4799&amp;amp;preview_nonce=7c3cc33b2b&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2013-01-07T10:47:05Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>De papegaaifactor – Wetenschapsfactor voor de massa’s</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/de-papegaaifactor-–-wetenschapsfactor-voor-de-massa’s" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/de-papegaaifactor-–-wetenschapsfactor-voor-de-massa’s</id>
    <updated>2012-09-04T18:55:32Z</updated>
    <published>2012-09-04T18:35:36Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	Het is leuk als in de media gerefereerd wordt aan interessante resultaten van “een onderzoek uitgevoerd door de Universiteit van XYZ”. Gisteren kwam ik op het web een stuk tegen over geplande maatregelen voor kerncurricula in Utah (VS). De schrijfster beklaagde zich erover dat tegenstanders voortdurend – en waarschijnlijk met opzet – de plannen onjuist c.q. gekleurd aan de mens brachten. Ze schreef dat in 2005-2006 “onderzoekers van de University of Michigan keken naar wat er gebeurde als ‘misinformed’ mensen gecorrigeerde feiten kregen…” Volgens haar vonden de onderzoekers dat de deelnemers aan de studie hun opinies niet zo aanpasten dat zij in lijn waren met de feiten, maar zich juist verder ingroeven in hun “misguided beliefs”.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Zoals jullie misschien weten uit mijn eerdere stukken, houd ik mij bezig met broodje-aap-verhalen in het onderwijs vanuit mijn verbazing over hoe het mogelijk is dat men, ondanks wetenschappelijk bewijs van het tegendeel, bijvoorbeeld blijft geloven dat mensen kunnen multitasken of dat je beter leert problemen op te lossen door problemen op te lossen. Had ik hier een nieuw broodje aan te pakken? Ik ging het web op om aan het artikel te komen, zodat ik precies kon lezen wat de onderzoekers deden en vonden; ik wilde als wetenschapper nagaan of het onderzoek en de gerapporteerde resultaten valide en betrouwbaar waren. Zo gezegd, zo gedaan. Ik zocht naar woorden die directe citaten waren; de namen van de onderzoekers had ik niet, omdat die in het stuk niet werden genoemd. Hier is wat ik vond:&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;img alt="" src="http://portal.ou.nl/documents/113525/0/Papagaaifactor.jpg" style="width: 517px; height: 99px; " /&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	In totaal dus 23.000 hits. Bij de eerste 200 (verder keek ik niet) vond ik bijna evenzoveel websites en posts over precies dezelfde resultaten in nagenoeg precies dezelfde bewoordingen, maar nergens kon ik de naam van de onderzoekers noch een referentie/link naar het oorspronkelijke artikel/onderzoek vinden. Met andere woorden, de een na de andere tv-zender, kwaliteitskrant, blogger en ga zo maar door, rapporteerde zonder bron. Allen vonden zij het interessant en belangwekkend, maar niemand nam de tijd om na te gaan of het werkelijk zo was. Iedereen kan zomaar iets schrijven (denk aan het onderzoek van Stapel c.s. over vleeseters en hufterigheid die ook overal op het web gerapporteerd was zonder dat het onderzoek überhaupt gepubliceerd was) en met genoeg papagaaien en na-apers is het ineens een feit.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Ik stel voor om naast ‘traditionele’ impactfactors voor echte publicaties, de Papegaaifactor in te voeren voor zulke wetenschap voor de massa’s.&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;em&gt;Deze blogpost is ook te vinden in COTimes (Campus Orléon) Jaargang 5, septembernummer&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2012-09-04T18:35:36Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Sex and the single school?</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/sex-and-the-single-school-" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/sex-and-the-single-school-</id>
    <updated>2012-06-14T12:48:27Z</updated>
    <published>2012-06-14T11:21:11Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Jongens en hun vermeende problemen blijven maar sexy in onderwijskringen. Nu eens roept een bestuurder dat gescheiden lessen voor jongens en meisjes dé oplossing is om ‘de achterstand’ van jongens in het onderwijs tegen te gaan. Dan weer bepleit iemand – zoals Angela Crott in haar opiniestuk in &lt;em&gt;Didactief &lt;/em&gt;1/2012 - dat jongens zo ‘bijzonder’ zijn dat ze ook bijzondere maatregelen behoeven om niet uit de boot te vallen. De basis van al deze pleidooien ligt al te vaak in niet goed uitgevoerd onderzoek of het verkeerd interpreteren van onderzoek. In een eerdergeschreven&amp;nbsp;&lt;a href="http://portal.ou.nl/en/web/pki/blog/-/blogs/1542243?_33_redirect=http%3A%2F%2Fportal.ou.nl%2Fen%2Fweb%2Fpki%2Fblog%3Fp_p_id%3D101_INSTANCE_na2J%26p_p_lifecycle%3D0%26p_p_state%3Dnormal%26p_p_mode%3Dview%26p_p_col_id%3Dcolumn-1%26p_p_col_pos%3D2%26p_p_col_c"&gt;blog&lt;/a&gt; schreef ik recentelijk al hoe gevaarlijk een beetje wetenschappelijke kennis kan zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Ik baseerde mij, uiteraard, op onderzoek zoals het artikel in &lt;em&gt;Science&lt;/em&gt; over ‘The pseudoscience of single-sex schooling’. De auteurs - allen (neuro)psychologen die onderzoek doen naar sekseverschillen en -rollen - constateren dat de roep om gescheiden onderwijs ‘deeply misguided’ is en zelden gebaseerd op valide wetenschappelijk bewijs. Zij stellen dat het sterkste argument &lt;em&gt;tegen&lt;/em&gt; gescheiden lessen is dat dit de mogelijkheid tot samenwerken tussen jongens en meisjes minimaliseert en op sekse gebaseerde stereotypen versterkt. Slotconclusie: Er is GEEN wetenschappelijk bewijs dat gescheiden onderwijs tot betere leerresultaten leidt!&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Hoe komt het toch dat de mythes over jongens en meisjes zo hardnekkig is? Neem de vermeende nadelige invloeden op jongens van feminisering van het onderwijs. Een typisch geval van twee dingen waarnemen en ze plompverloren aan elkaar verbinden. Men ziet meer vrouwen in het onderwijs (of dit zo is, laat ik in het midden, maar volgens OCW gaat het om een toename van 76% naar 80% in het eerste decennium van de 21&lt;sup&gt;e&lt;/sup&gt; eeuw in het primair onderwijs) en men ‘ervaart’ meer gedragsproblemen bij jongens. Vervolgens concludeert men dat er een verband tussen beide waarnemingen is, ja zelfs een oorzakelijk verband.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	In een recent Nederlands onderzoek gepubliceerd in de &lt;em&gt;Journal of School Psychology&lt;/em&gt; concluderen Jantine Spilt, Helma Koomen en Suzanne Jak dat vrouwelijke docenten gemiddeld veel betere relaties hebben met alle leerlingen – ongeacht sekse – dan hun mannelijke collega’s. Hun relaties met leerlingen zijn hechter en kennen veel minder conflicten. Verder zijn er, ongeacht het geslacht van de docent, meer conflicten met jongens dan met meisjes. Volgens de auteurs ‘betwisten de bevindingen de maatschappelijke veronderstelling dat mannelijke docenten betere relaties hebben met jongens dan vrouwelijke docenten’.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Een verdere vraag is of er een wezenlijk ofwel genetisch verschil bestaat tussen jongens en meisjes dat gescheiden onderwijs toch wenselijk – of misschien zelfs noodzakelijk - zou maken. En of er ooit een situatie zou zijn waar gescheiden lessen toch beter zouden zijn. Onderzoekers Booth, Sosa en Nolen schrijven in een &lt;a href="http://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=1965150"&gt;rapport &lt;/a&gt;van de Duitse Forschungsinstituut zur Zukunft der Arbeit dat er wel bewijs is dat vrouwelijke adolescenten zich in niet gemengde groepen anders gingen gedragen dan in gemengde groepen. In acht weken gingen vrouwen minder risicomijdend gedrag vertonen, terwijl het gedrag van mannen - ongeacht de samenstelling van de groep - hetzelfde bleef. De onderzoekers concluderen dat sekseverschillen voor risicomijdend gedrag eerder het gevolg zijn van sociaal leren dan van aangeboren geslachtskenmerken.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	En wat zou dit &lt;em&gt;kunnen&lt;/em&gt; betekenen voor het onderwijs? Ten eerste dat men misschien de nadruk moet leggen op het sociaal aanleren van zulk gedrag. Met andere woorden, hoe kunnen wij in het onderwijs zorgen dat wij meisjes niet aanleren om timide en risicomijdend te zijn dan wel &amp;nbsp;hoe kunnen wij ze wel laten leren sterker in hun schoenen te staan. En ten tweede, dat er &lt;em&gt;heel misschien&lt;/em&gt; bij sommige vormen van samenwerkend leren even nagedacht moet worden over de precieze samenstelling van de groepjes. Misschien vragen sommige soorten groepsopdrachten gemengde groepen en andere juist gescheiden groepen. Goed onderzoek zal&amp;nbsp; ons dat leren.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	De enige keiharde conclusie die we kunnen trekken, is dat beleidsmakers en bestuurders alvorens zevenmijlslaarzen aan te trekken, eerst veel en goed onderzoek moeten (laten) doen! Of tenminste zich goed op de hoogte laten stellen van bestaand goed onderzoek.&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2012-06-14T11:21:11Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Child's Right to Privacy</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/child-s-right-to-privacy" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/child-s-right-to-privacy</id>
    <updated>2012-04-10T20:43:18Z</updated>
    <published>2012-04-10T20:42:02Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	I recently read a proposition in a thesis to the effect that newborn children of parents with a Facebook account should immediately be given their own account so friends and family can stay informed of their development. I could hardly believe my eyes for two reasons. Firstly, a proposition published in a thesis must be defensible and not just be a funny or droll statement. Secondly, I believe that to do something like this is reprehensible.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	First: Is this proposition defensible? I think that this statement is only defensible in a small club of countries in the world where, thankfully, the Netherlands is not a member. What's the case? The Netherlands is, namely, a signatory of the Convention on the Rights of the Child. Article 16 of this Declaration reads as follows:&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.4pt;"&gt;
	ARTICLE 16&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.4pt;"&gt;
	16.1 No child shall be subjected to arbitrary or unlawful interference with his or her privacy, family, or correspondence, nor to unlawful attacks on his or her honour and reputation.&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.4pt;"&gt;
	16.2 The child has the right to the protection of the law against such interference or attacks.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	If parents - or whomever – choose to record and publish information about their newborn child on Facebook, they are arbitrarily interfering in the private life of their child. In essence, the parents should not be encouraged to do this but rather stopped. And a parent who does this should actually be prosecuted for this interference.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Additionally, and this has a lot to do with why I find such behavior reprehensible, is that such Facebook posts could, in the near or distant future, lead to a violation of the honor and good name of the child or even worse. How? Well, a while ago there was an opinion piece in a Dutch newspaper (the NRC) about this. It was about an imaginary boy (in 2020) who applied for a job. He was rejected because, according to the employer, there was a candidate who had better credentials. The real reason was that the employer Googled the boy's background and found that the parents had made mention of the fact – on his Facebook page - that the he had had a heart problem as a child. The real reason for rejection was that the employer was afraid of high absenteeism and medical coverage costs in the future.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	What we put on the Internet has a long life and cannot be wiped clean!. It's bad enough that reckless (young, stupid, unthinking; you add the adjective of choice) secondary school pupils and university students post pictures and stories of themselves and their youthful transgressions and stupidities on the web which can come back to haunt them. You might say "you made your bed, now lay in it ". But what if a child is relentlessly bullied when (s)he is 15 because a classmate discovered that the (s)he was still peeing in bed when (s)he was 5 or that there were “funny” pictures of her/him being toilet trained. It’s not the child’s fault that his or her unthinking or naïve parents - who thought it was funny or cute - put this on the Internet. The parents made the bed but the child has to lay in it!&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Parents are justifiably proud of their child and have the right to tell their close friends and family about how their child is growing and developing. They can send emails to each other, send photos to each other and even - but this is a gray area – make photos available to only family and friends on Flickr or Picassa (we know how bad FB is with respect to privacy!). But, as in Article 16 of the Treaty states, a child has the right to protection of the law against unsolicited and potentially unwanted interference with his or her life or damage - now or in the future - of his/her or honor or reputation.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Parents, be sensible and DON’T do what this young doctor is proposing!&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2012-04-10T20:42:02Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Peuterprivacy</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/peuterprivacy" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/peuterprivacy</id>
    <updated>2012-04-05T15:59:56Z</updated>
    <published>2012-04-05T15:50:45Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Ik las een stelling bij een proefschrift, en de stelling luidde: “Pasgeboren kinderen van ouders met Facebook verdienen onmiddellijk een eigen Facebook pagina om zo vrienden en familie op te hoogte te houden van hun ontwikkeling”. Ik kon mijn ogen eigenlijk niet geloven, en wel voor twee redenen. Ten eerste moet een stelling verdedigbaar zijn en niet zomaar een leuke uitspraak zijn. Ten tweede om ik van mening ben dat zoiets doen echt verwerpelijk is.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Ten eerste: Is deze stelling verdedigbaar? Mijns inziens is deze stelling alleen verdedigbaar in een aantal landen ter wereld waar gelukkig Nederland niet bij hoort. Wat is nou het geval? Nederland heeft, namelijk de &lt;em&gt;Universele Verklaring van de Rechten van het Kind&lt;/em&gt; ondertekend. Artikel 16 van deze Verklaring leest als volgt:&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.4pt;"&gt;
	ARTIKEL 16&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.4pt;"&gt;
	16.1 Geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar privéleven, in zijn of haar gezinsleven, zijn of haar woning of zijn of haar correspondentie, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn of haar eer en goede naam.&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:35.4pt;"&gt;
	16.2 Het kind heeft het recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Als ouders – of wie dan ook - op Facebook van alles noteren en publiceren over hun pasgeboren kind zijn zij bezig zich willekeurig in te mengen in het privéleven van hun kind. In wezen zouden de ouders niet aangemoedigd worden om dit te doen maar weerhouden, en ouder die dit toch doen zouden eigenlijk vervolgd moeten worden door deze inmenging.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Daarnaast, en dit heeft deels te maken met de reden waarom ik zulk gedrag verwerpelijk vind, is dat het in de nabije of verre toekomst zou kunnen lijden tot een aantasting van de eer en goede naam van het kind en nog erger. Hoe? Nou, een tijd geleden was er een opiniestuk in de krant (VK of NRC; weet ik niet meer) hierover. Het ging over een denkbeeldige jongen die (in 2020) solliciteerde naar een baan. Hij werd afgewezen omdat, volgens de werkgever, er toch een kandidaat was die iets beter was. De echte reden was dat men door op het Internet de jongen zijn achtergrond na te pluizen vonden een Facebookpagina over de jongen van toen hij kind was waarover de ouders uitgebreid had verteld of zijn hartproblemen. De werkelijke reden voor afwijzing was dat de werkgever bang was voor hoge ziekteverzuim in de toekomst.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Wat wij plaatsten op het Internet heeft een lange leven en is ook niet uitroeibaar. Het is erg genoeg dat baldadige middelbaar scholieren en universiteitsstudenten foto’s van en verhalen van henzelf plaatsen en dat deze foto’s en verhalen hen op een later moment opdoemen om hen te kwellen. Je zou kunnen zeggen “eigen schuld, dikke bult”. Maar wat als over 15 jaren het kind meedogenloos gepest wordt omdat een vriendje of vriendinnetje ontdekt dat het kind nog plaste in bed toen het 5 was of kwam de grappige foto’s van een zindelijkheidstraining tegen. Het is niet de schuld van het kind dat zijn of haar niet nadenkend ouders, of die dachten dat het grappig of koddig was, zoiets op het Internet plaatsten. Ouders de schuld maar het kind krijgt een dikke bult!&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Ouders zijn terecht trots op hun kind en hebben het goede recht om vrienden en familie van alles en nog wat te vertellen over de ontwikkeling en levensloop van hun kind. Zij kunnen e-mails naar elkaar sturen, foto’s naar elkaar sturen en zelfs – maar dit wordt een grijs gebied – foto’s beperkt beschikbaar stellen voor familie en vrienden op Flickr of Picassa (wij weten hoe slecht FB is met privacy!). Maar, zoals in Artikel 16 van het Verdrag staat, een kind heeft het recht op bescherming door de wet tegen ongevraagde en mogelijk ongewenste inmenging in zijn of haar leven of aantasting – nu of in de toekomst – van zijn of eer of goede naam.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Ouders, wees verstandig en volg de stelling van de jonge doctor niet op!&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2012-04-05T15:50:45Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Tien Instructieprincipes - Barak Rosenshine</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/tien-instructieprincipes-barak-rosenshine" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/tien-instructieprincipes-barak-rosenshine</id>
    <updated>2012-03-23T07:51:21Z</updated>
    <published>2012-03-23T07:41:50Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	In een recent nummer van &lt;em&gt;American Educator&lt;/em&gt;&amp;nbsp;(&lt;a href="http://www.aft.org/pdfs/americaneducator/spring2012/ae_spring2012.pdf"&gt;http://www.aft.org/pdfs/americaneducator/spring2012/ae_spring2012.pdf&lt;/a&gt;) schreef Barak Rosenshine een geweldig artikel (&lt;a href="http://www.aft.org/pdfs/americaneducator/spring2012/Rosenshine.pdf"&gt;http://www.aft.org/pdfs/americaneducator/spring2012/Rosenshine.pdf&lt;/a&gt;) over 10 Principes voor Instructie gebaseerd op goed empirisch onderzoek. Hieronder vindt de lezer een samenvatting daarvan maar beter is naar het artikel zelf te gaan. Hoeveel gebruik jij?&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	1. Herhaal een deel van wat eerder geleerd is iedere dag: Dit versterkt wat reeds geleerd is en kan leiden tot meet vloeiende herinnering (recall)&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	2. Presenteer nieuw leermateriaal in kleine stappen, en dat help de lerenden hiermee te oefenen&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	3. Stel vragen (liefst epistemische vragen): Deze helpen de lerenden oefenen wat net gepresenteerd is en verbindingen te leggen met reeds geleerd is&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	4. Geef modellen en/of uitgewerkte voorbeelden (worked-out examples) om lerenden te leren hoe een probleem opgelost kan/moet worden&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	5. (Bege)leid studenten in het oefenen met nieuw leermateriaal&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	6. Nagaan of het begrepen is om misvattingen/fouten te vermijden&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	7. Zorg dat lerenden succes hebben door bijvoorbeeld punten 2 (stappen), 4 (WOE), 5 (oefenen) en 6 (checken voor begrip)&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	8. Zorg voor scaffolds voor moeilijke taken&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	9. Eis en monitor zelfstandig oefening om kennis- en vaardigheidsschema’s te automatiseren&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	10. Laat lerenden wekelijks en maandelijks terughalen wat ze geleerd hebben om schema’s opnieuw te activeren&amp;nbsp;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2012-03-23T07:41:50Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Scientificus Economicus - De Berekenende Wetenschapper en de h-index</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/scientificus-economicus-de-berekenende-wetenschapper-en-de-h-index" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/scientificus-economicus-de-berekenende-wetenschapper-en-de-h-index</id>
    <updated>2012-03-18T11:48:32Z</updated>
    <published>2012-03-18T11:40:55Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&lt;strong&gt;H-index: hype, hysterie, hijgerigheid&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	De laatste tijd lees ik met toenemende verbazing artikelen over vakbroeders en –zusters en hun gewoonten / (on)hebbelijkheden. Een week of twee geleden ging het over de promotor die alleen tijd heeft voor promovendi gedurende conferenties waar geen wifi aanwezig is. Vandaag ging het over auteurschap, (zelf)citaties en de h-index (artikel in de Weternscpasbijdrage van de NRC - &lt;a href="http://www.nrc.nl/nieuws/2012/03/17/publicatiedrift-wetenschappers-neemt-groteske-vormen-aan/"&gt;http://www.nrc.nl/nieuws/2012/03/17/publicatiedrift-wetenschappers-neemt-groteske-vormen-aan/&lt;/a&gt;).&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Eerst, de h-index. Volgens Wikipedia (tja, zonder bronvermelding is het plagiaat):&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:18.0pt;"&gt;
	De Hirsch-index of h-index is een vakafhankelijke index die de "carrière-impact" van de publicaties van een wetenschappelijk onderzoeker meet. De h-index werd in augustus 2005 gedefinieerd door de fysicus Jorge E. Hirsch in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS als volgt:&lt;/p&gt;
&lt;p style="margin-left:18.0pt;"&gt;
	Een wetenschappelijk onderzoeker heeft index h als h van zijn of haar in totaal N publicaties tenminste h maal geciteerd zijn in andere publicaties, en de andere (N-h) publicaties minder dan h maal geciteerd zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Met andere woorden, het gaat nu niet (meer) over hoeveel je publiceert maar over hoe veel en hoe vaak je geciteerd worden. Het gaat niet over de impact van een tijdschrift waarin jij publiceert maar over jouw eigen “impact”. In eerste instantie klinkt dat goed. Er is veel op en aan te merken over de impactfactoren van tijdschriften, hun positieve publicatie-bias, enzovoorts. Hier gaat het over hoe belangrijk collega-wetenschappers jouw onderzoek en jouw schrijfsels vinden. Maar wat een goed idee lijkt te zijn en wat uitgaat van integer gedrag hoeft niet zo’n goed idee te zijn als de premisse van integriteit niet opgaat. En helaas, in een tijd van krimpende eerste en tweede geldstromen (dit jaar werd een record hoog aantal Vici-voorstellen ingediend en werd een record lage percentage toegekend) kan het eerder uitdraaien niet op survival of the fittest (lees beste) maar op survival of the shrewdest&amp;nbsp; (lees beste manipuleerder). Terwijl het manipuleren van de impact van een tijdschrift niet echt moeilijk is (het vraagt alleen dat de editors en misschien ook de reviewers gezamenlijk een strategie uitvoeren), is het manipuleren van jouw h-index echt kinderspel.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	De Wetenschapsbijlage van NRC Weekend schrijft bijvoorbeeld over de hoogleraar Jeroen Bax, over wie werd genoteerd dat hij aan de top bleef “met een wonderbaarlijke 110,8 artikelen per jaar. In zijn topjaar 2009 schreef hij 138 artikelen, ofwel één artikel per 1,9 werkdagen”. Dit wordt in verband gebracht met afdelingshoofden, die hun naam zetten bij elk artikel dat op hun afdeling wordt geschreven. Je zou zeggen: Gelukkig hebben wij bij de sociale wetenschappen richtlijnen zoals die van de APA die voorschrijft dat om als medeauteur genoemd te zijn moet je een echte bijdrage aan de publicatie leveren zoals (mede)verantwoordelijkheid voor ontwerp, data-analyse, en schrijven van het manuscript. Nadrulleijk wordt gesteld: institutional position, such as Department Chair, [is] insufficient for attributing authorship. Helaas kan ik voorbeelden gegeven van artikelen waar er tig auteur zijn waarvan je zeker kan zijn dat zij niet allemaal eraan hebben gewerkt.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Een andere truc is jezelf voortdurend te citeren (h-index heeft het alleen over citaties en niet over zelfcitaties) en afspraken maken met andere mensen in jouw eigen groep of elders dat je elkaar citeert. Reken zelf: In een onderzoeksgroep van 15 mensen waarvan iedere lid twee publicaties per jaar produceert en waarin zij jou per publicatie 2 a 3 keer citeren levert gauw 14 x 2 x 2,5 oftewel 70 citaties op per jaar.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Wij begonnen met de homo economicus (de berekenende mens) en als docenten spraken van de discipulo economicus (berekenende student). Er is blijkbaar een nieuwe loot gekomen op deze boom, namelijk de scientificus economicus (de berekenende wetenschapper). En als jullie deze blog allemaal citeren…&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2012-03-18T11:40:55Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Wetenschapsethiek</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/wetenschapsethiek" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/wetenschapsethiek</id>
    <updated>2012-02-26T06:55:02Z</updated>
    <published>2012-02-26T06:54:23Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	Het artikel lezend over wetenschapsethiek in de NRC Wetenschapsbijlage van 25/26 februari jl. voelde ik een combinatie van verbazing en teleurstelling door één van de passages. De passage ging over de begeleiding van promovendi. Er stond dat promotoren alleen de tijd nemen om met hun promovendi te praten in de “pauzes van congressen zonder wifi”. Ik was verbaast omdat ik besteed circa 25% van mijn soms 70-uur werkweek aan mijn promovendi; mijn deur (fysiek of elektronisch) staat letterlijk en figuurlijk altijd open van hen en dat weten zij. Ik was teleurgesteld omdat de artikelschrijver stelde vast: “Jammer, vinden ze alle drie”. Blijkbaar zijn dit de ervaringen van deze drie mensen en wellicht wat zij hebben meegemaakt bij de promovendi die zij kennen. Ik hoop – als wetenschapper – dat wij het hier over een zeer scheve steekproef hebben; zo niet, dan is het niet de promovendi die opgevoed moeten worden, maar de promotoren.&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2012-02-26T06:54:23Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>De digidocent komt eraan … of toch niet?</title>
    <link rel="alternate" href="http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/de-digidocent-komt-eraan-…-of-toch-niet-" />
    <author>
      <name>Paul Kirschner</name>
    </author>
    <id>http://portal.ou.nl/fr/web/pki/blog/-/blogs/de-digidocent-komt-eraan-…-of-toch-niet-</id>
    <updated>2012-02-14T07:39:59Z</updated>
    <published>2012-02-14T07:24:23Z</published>
    <summary type="html">&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Het verhaal is overbekend. Het wordt niks met ict in het onderwijs, omdat de docenten &lt;em&gt;digital immigrants&lt;/em&gt; ofwel digitale allochtonen zijn. Zij zijn met andere media en middelen grootgebracht, weten dus niet hoe ze met de moderne technologieën moeten omgaan en hebben dus geen idee hoe die media en middelen in te zetten in het onderwijs.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Maar gelukkig – zeggen onderwijsgoeroes en -profeten – komt er een generatie &lt;em&gt;digital natives&lt;/em&gt; (digitale autochtonen) aan die geboren en getogen zijn met gsm’s, smartphones, computers, MP3-spelers, videogames enzovoorts en zij zullen het allemaal wel kunnen.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Helaas, zet je schrap, de werkelijkheid is weer ingewikkelder dan het lijkt. Uit een in &lt;em&gt;Technology, Pedagogy and Education&lt;/em&gt; gepubliceerd onderzoek blijkt dat Net-Generatie leraren-in-opleiding (ofwel lio’s geboren in de periode 1984-1989 die niets anders dan een digitale wereld kennen) niet beschikken over de benodigde kennis om ict goed in te zetten. De studie betrof de technisch-pedagogische kennis van leraren-in-opleiding, dus of ze de didactische en praktische voor- en nadelen van verschillende technologieën kenden en deze kennis konden toepassen in hun lespraktijk. De verwachting was dat deze NetGen-lio’s deskundig en vaardig zouden zijn in zaken als ontdekkend Internetleren en niet-lineair, hypertekstachtig denken en dat zij deze vaardigheden zouden (kunnen) vertalen naar hun lespraktijk. Niets bleek minder waar: hun kennis en hun vaardigheden hieromtrent was zeer beperkt. Onze digitale hoop voor de toekomst had, bijvoorbeeld, geen (goed) idee hoe sociale media zoals Facebook®, MSN’en enzovoorts ingezet kon worden om kennis te creëren, om inhoudelijk met elkaar te discussiëren en om informatiebronnen te (ver)delen. De onderzoekers concluderen dan ook dat de hoge verwachtingen over deze aankomende docenten en hun vermogen om ict te adopteren en adapteren voor hun lespraktijk ‘hoogst twijfelachtig’ is.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	En hoe zit het eigenlijk met de jeugdige digitale autochtonen? Kunnen zij werkelijk ‘lezen en schrijven’ met moderne media? Saskia Brand-Gruwel (Open Universiteit) heeft veel onderzoek gedaan naar wat ze noemt de &lt;em&gt;digital literacy&lt;/em&gt; van de huidige generatie jongeren. Deze digitale geletterdheid wordt vaak gezien als sleutel voor de zogenoemde 21&lt;sup&gt;ste&lt;/sup&gt; eeuw vaardigheden (21&lt;sup&gt;st&lt;/sup&gt; Century Skills; European Commission, 2002). Leerlingen zouden competent of zelfs expert zijn in het omgaan met digitale informatie en het kunnen oplossen van informatieproblemen. Ze zoeken immers niets meer op in boeken, maar alles op internet. Het onderzoek van Brand-Gruwel laat zien dat de meeste jongeren helemaal niet (zo) digikundig zijn. Het oplossen van informatieproblemen is voor hen vaak een majeur, zo niet onoverkomelijke cognitieve onderneming. Zoeken, vinden, beoordelen en verwerken van informatie is een complex cognitief proces. Dat leerlingen een veelheid aan moderne media gebruiken, betekent niet dat zij die media goed kunnen gebruiken. Vingervlugheid is niet hetzelfde als effectief gebruik. Zij kunnen wel Googlen, maar missen de informatievaardigheden om doelmatig en doeltreffend informatie te vinden en om die informatie te wegen op relevantie en juistheid. Zo krijg je werkstukken over voeding en gezondheid met geknipte en geplakte informatie van websites gesponsord door fastfoodketens of over de 16&lt;sup&gt;e&lt;/sup&gt;-eeuwse natuurfilosoof (Francis Bacon) met informatie over zijn 20&lt;sup&gt;e&lt;/sup&gt; eeuw schilderende naamgenoot.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	En om het verhaaltje af te maken: zijn digitale autochtonen eigenlijk beter dan digitale allochtonen’ als het om leren van en met moderne digitale media? Oftewel, is het werkelijk zo slecht gesteld met de zittende generatie docenten? In &lt;em&gt;British Journal of Educational Technology&lt;/em&gt; rapporteerden onderzoekers dat ’late baby boomers’ (geboren tussen 1951 en 1962) beter leerden, actiever omgingen met digitale informatie en beter online werkten met anderen dan ‘millenials’ (geboren na 1982).&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Dat je wel eens in de keuken staat en graag snoept van lekkere gerechten, maakt je nog geen chefkok. Zoals je ook geen mediavaardige docent wordt van opgroeien in een mediarijke wereld en spelen met apparaatjes. Daar moet je toch voor doorgeleerd hebben.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	Note: Deze Blog is ook in het blad Didactief (&lt;a href="http://www.didaktief.nl/"&gt;http://www.didaktief.nl/&lt;/a&gt;) te vinden -&amp;nbsp;http://issuu.com/Didactief/docs/did_nr1_jan-feb/7&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;
	&amp;nbsp;&lt;/p&gt;</summary>
    <dc:creator>Paul Kirschner</dc:creator>
    <dc:date>2012-02-14T07:24:23Z</dc:date>
  </entry>
</feed>

