Blog

« Terug

Talent en expertiseontwikkeling

Mijn zoon R. is een leeftijdsgenoot van Marijn Simons, een bevlogen violist, dirigent en componist. Toen R. 6, 7 jaar was bedacht hij – geïnspireerd door dit voorbeeld – dat hij ook viool wilde leren spelen. Ik zal u zijn leerproces verder niet uit de doeken doen, maar het voorlopige eindpunt is dat zijn viool een aantal maanden geleden is ingeleverd bij de Radio 4 instrumenten-inzamelactie. Wij allen hopen dat een ander kind er meer plezier aan zal beleven.

De vragen die ik hier wel wil stellen zijn: Hoe komt het dat R. nooit ver is gekomen met zijn vioolspel? En is het concept ‘talent’ nuttig om dit te verklaren? ‘Talent’ is een lastig concept, en K. Anders Ericsson – de onderzoeker van leren en trainen bij verschillende stadia van expertiseontwikkeling – weigert het te gebruiken. Hij is van mening dat de hoeveelheid studie en trainingsarbeid, afgestemd op het ontwikkelingsniveau van de betreffende persoon voldoende verklaring is voor geconstateerde verschillen in expertise. Wat natuurlijk de vraag buiten beschouwing laat waarom de ene persoon er wel toe komt al die inspanning te verrichten en de ander niet.

Onlangs heeft Feist (2011) in dit verband de rol van ‘talent’ weer aan de orde gesteld.

Figuur 1. Trainings- en talentpiramide (Feist, 2011)

Ik twijfel of je er erg mee opschiet, omdat hij talent niet duidelijk definieert. Hij plaatst het binnen de dichotomie Nature (talent) – Nurture (training). En bij zijn beschrijving van bovenstaande model zegt hij er verder over: “The more talented someone is, the better they are and the more they improve with intensive training. Natural talent starts the process and influences ones interest in a particular skill or set of skills. The fact is that talent feeds on training, just as training feeds on talent (Papierno et al. 2005). Doing well, in turn, provides positive feedback and reinforcement and the person becomes more and more dedicated to deliberative practice and training. The talented person is more likely than the less talented person to train and practice and to get more out of each practice, thereby widening the achievement gap over time.” Eigenlijk zegt Feist hier twee dingen:  Dat talent bepaalt hoeveel inspanning iemand zal (kunnen) leveren, en dat bij gelijk (start- of tussen-)niveau personen met meer talent meer uit dezelfde inspanning zullen halen. Voor dat laatste bestaat bij mijn weten echter geen empirisch bewijs. Maar dat mensen verschillen in de hoeveelheid training die ze aan kunnen en wat ze daaruit halen, is wel duidelijk. Of dat talent is? Ik kan dat niet zeggen. Of talent een nuttig begrip is, betwijfel ik. Het is een containerbegrip waar van alles ingaat. Als het om individuen en hun inzet en voortgang gaat, lijken andere begrippen veel meer op de voorgrond te staan. Voorbeelden zijn: fysieke beperkingen, trainbaarheid en hersteltijd, slaap, zelfsturing en zelforganisatie, motivatie, esthetische waardering, kennis van het domein. Voor coaches biedt dat onderliggende, detailniveau veel betere aanknopingspunten. Voor onderzoekers ook.

Referenties

Feist, G. J. (2011). The nature and nurture of expertise: a fourth dimension. Phenomenology and the Cognitive Sciences. DOI 10.1007/s11097-011-9240-0

Papierno, P., Ceci, S., Makel, M., & Williams, W. (2005). The nature and nurture of talent: a bioecological perspective on the ontogeny of exceptional abilities. Journal for the Education of the Gifted, 28(34), 312332.

Reacties
Trackback URL: