Uitgewerkt voorbeeld studietaak 1: het debat

Het ‘media versus methods' debat gaat er in feite om of media op zichzelf aanleiding geven tot leren. In iets gewijzigde vorm gaat het debat over de vraag of specifieke media karakteristieken hebben waardoor lerenden (bepaalde inhouden) beter of sneller kunnen leren.
Volgens Clark (2001) is veel onderzoek niet zuiver uitgevoerd: media en didactiek zijn zelden of nooit onafhankelijk van elkaar gemanipuleerd. Niet de media maar de didactiek maakt het verschil. Een belangrijke consequentie van Clarks standpunt is dat vrijwel alles geleerd kan worden met vrijwel ieder medium waaronder ICT. Volgens Clark berust de mediakeuze daarom vooral op overwegingen van kosten en efficiency.
Garrison en Anderson (2003) hanteren drie argumenten om aan te geven dat er niet zonder meer van uitgegaan kan worden dat de didactiek achter media, en niet de inzet van de media zelf, verantwoordelijk is voor beter leren. Garrison en Anderson:
1) wijzen er op dat de onderzoeken waar Clark (2001) zich op baseert veelal gebruik maken van simpele leertaken. Zij betwijfelen of de stelling van Clark nog opgaat bij complexere leertaken;
2) geven enkele voorbeelden waaruit moet blijken dat tekstuele communicatie wezenlijk verschilt van mondelinge;
3) geven een principieel argument: leren en de context waarin het geleerd is, vallen niet van elkaar te onderscheiden.

 

Uitgewerkt voorbeeld studietaak 2: trends

Bij Intelligent Tutoring Systems en Adaptieve CBT wordt de computer ingezet als docent. Het zijn toepassingen die in de jaren zeventig en tachtig hun hoogtij kenden. Leren wordt gezien als een individueel proces. Bij sommige individuele toepassingen, zoals simulaties, zal het accent meer liggen op het werken met verschillende representaties van een probleem. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een simulatie waarin naast beeld ook data (cijfers en grafieken) worden gegeven.
In constructivistische benaderingen wordt vooral benadrukt dat de leerling zelf (meerdere) representaties ontwikkelt, bijvoorbeeld door een probleem te modelleren in een spreadsheet of een concept map. Er is sprake van gedistribueerde cognitie als een leerling met een hulpmiddel problemen kan oplossen die anders voor hem of haar onoplosbaar zouden zijn
(bijvoorbeeld in Excel complexe ‘what-if' scenario's doorrekenen). Hulpmiddelen waarmee leerlingen zelf representaties kunnen ontwikkelen (concept mapping, modelling tools), vindt u overigens vaak terug in omgevingen voor computerondersteund collaboratief leren (CSCL), waar ze gebruikt worden om denkbeelden te laten articuleren en discussies te verankeren.


CSCL zelf is vooral geïnspireerd door sociaal-constructivistische benaderingen waarin leerlingen gezamenlijk betekenis verlenen aan de taakomgeving. De discussiegroep is een populaire applicatie die vaak in computergestuurd leren wordt
gebruikt. Deze past niet in visies waarin leren als een volstrekt individueel proces wordt gezien. Discussiegroepen lenen zich voor toepassingen die discussies verankeren, discussiebijdragen structureren naar inhoud of die grafische weergaven van discussielijnen ondersteunen.


Web 2.0 of 'social software' tools, zoals de wiki, twitter en blogs, ondersteunen in een grote, tot voor kort nog ongekende mate van toegankelijkheid, personalisatie, interactiviteit en participatie in het delen en het samen ontwikkelen van kennis. In het onderwijs wordt inmiddels al geëxperimenteerd met weblogs en wiki's voor uiteenlopende doeleinden, zoals het ontwikkelen van de reflectievaardigheid, het leren van begrippen en gezamenlijke kennisconstructie. Deze tools zouden binnen het sociaal-constructivistische paradigma geplaatst kunnen worden of - zoals de theoretici van connectivisme beweren - binnen het paradigma van leernetwerken.

 

Uitgewerkt voorbeeld studietaak 3: flexibility-activity model

Bij deze studietaak is geen uitwerking geformuleerd.

 

Uitgewerkt voorbeeld studietaak 4: analyse onderwijssituatie

Bij deze studietaak is geen uitwerking geformuleerd.