Tags


Blog overzicht

Items met tag onderwijsonzin.

Er zijn geen resultaten.

Blog

Invoer met tag onderwijsonzin.

Als het onderwijs zo slecht is, waarom weet jij het dan zo goed?

Ik ben verbaasd als ik al die onderwijsgoeroes, -vernieuwers en -hervormers (lees de apostelen van het nieuwe leren, de iPadscholen, de digitale autochtonen, enzovoorts) hoor praten over wat er mis is met het onderwijs: het onderwijs is ouderwets en afstompend, het leren van feiten en concepten is overbodig omdat het zo houdbaar is als verse vis en is zelfs belemmerend voor het creatief oplossen van problemen en het divergent leren denken. Daarnaast roepen deze verlichte mensen dat het onderwijs niet voldoet aan de eisen van vandaag en dat zulk ouderwets onderwijs ervoor zorgt dat leerlingen de broodnodige vaardigheden voor de 21e eeuw niet verwerven. Volgens hen moet het onderwijs veranderen anders krijgen wij burgers die:

(1) niet leren samenwerken,

(2) niet creatief zijn,

(3) ict ongeletterd zijn (vreemd - volgens Marc Prensky c.s. zijn kinderen juist digitale autochtonen),

(4) moeilijk / niet kunnen communiceren (…en die digitale autochtonen en homos zappiëns dan die overal met sociale media zo vaardig met elkaar communiceren?),

(5) problemen niet kunnen oplossen noch kritisch kunnen denken en

(6) de nodige sociale en culturele vaardigheden missen.

 

Maar waar precies verbaas ik mij over? Ik verbaas me al lang niet meer over het gebrek aan kennis over de zaken waarover deze mensen oreren. Dat stadium ben ik al lang voorbij. Tegenwoordig hoef je geen verstand van zaken te hebben om als deskundige te worden gezien. Als je ergens beroemd van bent of ergens voor geleerd hebt, mag je blijkbaar over alles een mening hebben én deze mening te verkondigen alsof het waar is. En voor veel mensen is die beroemdheid reden genoeg om die mening / verkondiging te accepteren en door te vertellen aan anderen of op te volgen. Daniel Willingham stelde in zijn boek When can you trust the experts: How to tell good science from bad in education dat je moet zien te achterhalen (EN: trace it) of de ‘pusher’ echt kennis heeft over wat zij/hij ‘pusht’, of dat hij/zij misbruik maakt van bekendheid, titels en/of kwalificaties (EN: credentials). Ik heb in een recente blog geschreven over gevallen waarin experts op één gebied (in dit geval twee juristen) meenden dat zij ook verstrekkende uitspraken mochten doen op gebieden waar zij geen verstand van hadden (sociologie, antropologie, en onderwijswetenschap). Alsof een schaakmeester ook wereldkampioen dammen is. Ik noemde zoiets een “denkfout van expertisegeneralisatie”. Een mooi en actueel voorbeeld hiervan is onze huidige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en voormalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ronald Plasterk. Professor Plasterk was een top moleculaire bioloog en geneticus en was in 1999 winnaar van de prestigieuze NWO Spinozapremie; de Nederlandse Nobelprijs. Maar

(1) dat maakt hem geen goede minister, al zou je kunnen denken dat er enige expertisegeneralisatie zou kunnen plaatsvinden bij de W van OCW, en

(2) zijn deskundigheid op het gebied van ons immuunsysteem en hoe het ons beschermt tegen ziektes is niet per definitie toepasbaar op het gebied van binnenlandse veiligheid.

 

En nu over het misbruiken van bekendheid, titels en/of kwalificaties. Hiervoor geef ik twee actuele voorbeelden: Maurice de Hond en Paul Rosenmöller. Maurice de Hond is een afgestudeerde sociaalgeograaf die een paar jaar dit beroep uitoefende om daarna als marktonderzoeker naam en faam te maken. Op basis van deze bekendheid, en dus zonder juridische en/of criminologische kennis, heeft hij zich aan het begin van deze eeuw opgeworpen als misdaadonderzoeker en daarna, zonder enige onderwijswetenschappelijke kwalificaties, als innoverende onderwijskundige. Als misdaadonderzoeker is hij veroordeeld voor smaad. Als onderwijskundige mag hij, ongestraft, ons alles op de mouw spelden over leren, media in het onderwijs, onderwijskunde, onderwijsdidactiek en ga zo maar door. Paul Rosenmöller is van havenarbeider uitgegroeid tot beroepspoliticus en programmamaker. (Hiervoor neem ik mijn pet voor hem af!) Maar in zijn nieuwe functie als voorzitter van de VO-Raad meent hij ook verstand te hebben over de inrichting van het onderwijs. Hij vindt het onderwijs niet van deze tijd en zal op het Nationaal Congres Onderwijs & Sociale Media zich expliciet uitspreken voor het “meer aansluiten van het onderwijs bij de belevingswereld van jongeren”. Volgens de congreswebsite vindt hij “dat innovatie te langzaam gaat”. Zijn opmerkingen plaatste hij in de context van de invoering van tablets en smartphones in het onderwijs, maar vanzelfsprekend spelen toepassingen als sociale netwerken hierbij een belangrijke rol.

 

En nu naar mijn verbazing: Prensky, de Hond, Rosenmöller en vele anderen willen dat wij hen zien en geloven op hun woorden als ruimdenkende, innovatieve, probleemoplossende, sociaalvaardige en ict-wijze onderwijshervormers. Maar deze mensen zijn vaak van boven de 50 en dus zelf producten van dat afstompende ouderwetse onderwijs waar zij zich zo tegen keren. Hoe kan dat nou? Hoe zijn zij dan aan al die (vaak 21e eeuw-) vaardigheden gekomen? Waar komt al die kennis vandaan? Eigenlijk verloochenen zij hun eigen verleden. Als het onderwijs zo slecht is/was, waarom weten zij het dan zo goed?

 

Volg mij op Twitter: @P_A_Kirschner

 

Dankwoord

@Ignaas (mede grumpy old man): Bedankt dat jij mij attent maakte op mijn gewoonte om op 14 februari een blog te publiceren en mij uitdaagde om die Valentijnsdag traditie voort te zetten.

 

 

Do Learners Really Know Best? Urban Legends in Education

Tja, omdat ik op een conferentie (CSCL2013 in Madison Wisconsin) en vrijdag met vakantie ga, geen tijd om een echte blog te schrijven. Toch wilde ik jullie op de hoogte brengen van een nieuw artikel van mij en collega Jeroen van Merriënboer in Educational Psychologist over broodje aap verhalen in het onderwijs waar wij twee jaar aan werkten.

Het artikel heet: Do Learners Really Know Best? Urban Legends in Education en is te vinden op http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/00461520.2013.804395

Hier – in het Nederlands – een parafrasering van de intro: Mark Twain zei ooit: “In religie en de politiek, komen de meningen en overtuigingen van mensen vooral uit de tweede hand en worden van anderen overgenomen zonder inspectie”. Helaas lijkt dit ook het geval als het over leren gaat. Onderwijskundigen, -technologen en -psychologen, innovatoren en hervormers van leren en leeromgevingen, politici, bestuurders, en adviseurs staan allemaal in de rij om te laten zien hoe innoverend en vooruitstrevend zij (kunnen) zijn. Zij roepen van alles en kopen en implementeren naar hartenlust gebaseerd niet op goede wetenschap, maar vooral op basis van geloof, filosofie en/of een aantal hardnekkige broodje aap verhalen. Gevolg hiervan is slecht onderwijs, innovatiemoeheid en ontevreden mensen (docenten, ouders/verzorgers, leerlingen/studenten).

Myth busters De Bruyckere en Hulshof op de goede weg

 

Recensie van het boek Jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs, Pedro de Bruyckere en Casper Huslhof, LanooCampus / Van Duren Psychologie, 2013. ISBN 978 90 815 1637 2

Vol verwachtingen klopte mijn hart toen ik in december las dat Pedro de Bruyckere en Casper Hulshof het boek “Jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs” hadden geschreven maar helaas moest ik nog een paar maanden wachten voordat het op de markt kwam. Nu ik uiteindelijk het boek in handen heb en heb kunnen lezen constateer ik dat het boek het wachten meer dan waard was. Pedro en Casper bespreken 36 gangbare c.q. hardnekkige onderwijsmythes (ik zou de meeste broodje-aap verhalen noemen) verdeeld over vier categorieën, te weten: Mythes over leren, Neuromythes, Mythes over technologie in het onderwijs, en Mythes in onderwijsbeleid. In die verschillende categorieën bespreken zij zeer uiteenlopende mythes zoal de mythe van leerstijlen als basis voor passend onderwijs, Brain Gym als algemene manier om je hersenen te oefenen, dat digitale autochtonen bestaan en over bijzondere gaven beschikken, de effecten van kleinere klassen op het leren en het onderwijs enzovoorts. Zij bespreken alle 36 op een zeer nuchter en evenwichtige wijze, ondersteund door wetenschappelijke bewijsmaterialen (zoals het hoort).

Om dit ook allemaal begrijpelijker en bruikbaarder te maken, maken zij gebruik van een legenda van drie tekens. Het eerste teken is “: - \” wat betekent dat de bewering helemaal niet klopt en dat er hier sprake is van een echte mythe. De tweede is “; - |” wat betekent dat de bewering nog ter discussie staat; dat de wetenschap geen uitspraak mag doen omdat er geen voldoende bewijs is of de onderzoekingen elkaar misschien tegenspreken. De derde is “: - ?” wat betekent dat de bewering onbewezen is; er is geen wetenschappelijk bewijs gevonden voor de bewering (in mijn woorden: prietpraat / borrelpraatjes). Aan het einde van ieder deel vatten zij de zaak samen met wat wij wel of niet weten over het onderwerp van het deel, bijvoorbeeld “Helpt correcte kennis over de hersenen?”. Met andere woorden een heldere uiteenzetting in begrijpelijke taal, genuanceerd waar nodig maar ook resoluut waar nodig en dus een geweldig handvat voor docenten, onderwijsbeleidsmakers en politici.

Maar iedereen die mij kent weet dat ik ook zeer kritisch ben en zelfs ten aanzien van dit voortreffelijke boek heb ik drie kritische opmerkingen. De eerste twee kunnen wellicht handig zijn voor een tweede druk c.q. voor een vervolgboek; de derde is een veel moeilijker probleem waar de auteurs geen schuld aan hebben!

Mijn eerste opmerking gaat over de indeling. Hoewel de indeling in vier inhoudelijke delen begrijpelijk is, denk ik dat een andere indeling een betere leidraad voor docenten, beleidsmakers en politici had kunnen zijn, namelijk: (1) Welke beweringen zijn pertinente onzin?, (2) Welke beweringen staan nog ter discussie? en (3) Welke beweringen zijn op dit moment losse beweringen / borrelpraatjes? Zo weten wij wat afgevoerd moet worden, wat nog ter discussie staat en wat alleen losse prietpraat is.

Mijn tweede opmerking heeft te maken met het generalisatieniveau van de besprekingen. Het kan het geval zijn dat een bewering een mythe is bij jonge kinderen maar geldigheidswaarde heeft bij adolescenten, dat iets onzin is bij novieten maar interessant kan zijn voor experts. Pedro en Casper: Misschien de basis voor een vervolgboek? Ik hoop het wel!

Tot slot, mijn moeilijk op te lossen probleem. De auteurs geven aan het einde van het boek een aantal aanbevelingen voor de lezer onder de noemer “Hoe kan ik vermijden dat ik mythes geloof en doorgeef”. Zij beginnen met een setje vuistregels dat meestal kan worden toegepast. Het gaat hier om vuistregels als “Geeft de auteur aan wat haar/zijn standpunt is?” of “Citeert de auteur onderzoek?”. Het probleem is dat om dit te doen je ook het tweede setje vuistregels moet kunnen uitvoeren zoals bepalen of de gebruikte analyse methodes de juiste waren, bepalen of de steekproef groot genoeg was, enzovoorts. Dit vraagt kennis die – om het voorzichtig uit te drukken – de meeste docenten, beleidmakers en politici helaas niet hebben. Gevolg: de invoering van onzin in het onderwijs.

En dat kan nu een uitstekende uitdaging / taak zijn van dit blogcollectief. De 'gewone' leerkracht helpen in contact te komen met onderwijsonderzoekers (die hopelijk van onderzoeksmethodologie de nodige kaas hebben gegeten). Dit kan een win-win situatie worden waarbij enerzijds de docent informeel wordt bijgeschoold, terwijl anderzijds de onderzoeker kan leren van de ervaringen van de docent.

Wat denken jullie?

3 resultaten getoond.