Tags


Blog overzicht

Items met tag leren.

Er zijn geen resultaten.

Blog

Invoer met tag leren.

Mathemagenisch en Mathemathantisch

Hier een gastcolum die in het juninummer van Van Twaalf tot Achttien verscheen waarin ik het verschil probeerde uit te leggen tussen twee van mijn favoriete begrippen/woorden, namelik mathemagenisch en mathemathantisch.

Je kan – als lerende - dingen doen die leren tot stand brengen en ook dingen doen die het leren in de kiem smoren. Ernst Rothkopf - een van mijn helden - noemde de eerste mathemagenisch (lerenbarend; mathema = leren + gignesthai = geboren worden) en Dick Clark - weer een held van mij - noemde de tweede mathemathantisch (lerendodend; mathema = leren + thanatos = doodgaan).

Als wij spreken van mathemagenische activiteiten spreken wij meestal van activiteiten die een bepaald soort leren opwekken. Rothkopf, bijvoorbeeld, bestudeerde het effect van het gebruik van toegevoegde vragen; vragen die gesteld werden voor of na het lezen van een stuk tekst (meestal van een alinea of sectie). Ik heb dit ook onderzocht met videomateriaal, maar het kan ook gebruikt worden bij een college of waar dan ook. Rothkopf stelde vragen gericht op specifieke feiten of concepten (‘In welk jaar werd…?’ of ‘Wat is de definitie van…?’) of op het toepassen van kennis of het denken daarover (‘Waar zou je de Wet van … kunnen gebruiken?’ of ‘Waar in jouw ervaring komt de … voor?’). Mathemagenisch hieraan is dat door het consequent stellen van een bepaald soort vraag, het lees- en leergedrag werd beïnvloedt. Als je steeds een toepassingsvraag vooraf aan een tekst stelt, gaat de lezer de tekst lezen met steeds in haar/zijn achterhoofd de vraag ’Hoe zou ik dit kunnen toepassen?’, ook wanneer er geen vraag gesteld wordt. Dit verschijnsel komt overeen met wat Gavriel Solomon noemde de effecten van een ingreep – i.t.t. de effecten meteen ingreep. Hij stelde dat het doel van een onderwijsingreep niet is om het gedrag alleen op de korte termijn te beïnvloeden (een tekst die op dat moment op een bepaalde manier gelezen wordt) maar ook op de lange termijn (teksten die in de toekomst worden zo gelezen). Vergelijk dit met het uitvoeren van een project op school met een projectplanner. Het effect met de planner is op de korte termijn een beter gepland project. Maar op de lange termijn wil je dat het effect van de planner is, dat iemand beseft dat er soms een kritisch pad is in een project (A moet gebeuren voor dat aan B wordt begonnen) en dat ook in andere situaties toepast, bijvoorbeeld bij het plannen van een diner (eerst de saus maken en dan het vlees opbakken).

En wat is dan mathemathantisch? Clark introduceerde deze term in een artikel over wat nu leerstijlen genoemd zou worden. Toen ging het over Aptitude Treatment Interacties (Cronbach & Snow); aanpassen van de lesaanpak aan de aanleg/voorkeur van de lerende. Hij stelde twee kinderen voor: Marie en Piet. Marie is iemand die heel precies en analytisch is; zij kan de kaf heel goed van de koren scheiden. Dit is haar aanleg en zij voelt zich senang bij het aangeboden krijgen van goed geordend materiaal. Beantwoord je hieraan, dan zal zij leren en zich er goed bij voelen, maar je maakt geen gebruik van haar analytische vermogen. Biedt je haar echter een ratjetoe aan, dan moet zij analyseren, de stof dieper verwerken en zal zij de stof ook dieper leren. In het eerste geval, gaat het diepe leren, helaas, dood. Piet daarentegen is een sloddervos en een warhoofd. Dit is zijn aanleg en hij krijgt de kriebels als alles goed geregeld is. Voor hem, dus, dat ratjetoe, maar omdat hij niet analytisch van aard is, verzuipt hij  en leert hij niets.

Als docenten / onderwijsontwerpers hoort ons doel te zijn onderwijs te verzorgen dat zo veel mogelijk mathemagenisch is en zo min mogelijk mathemathantisch.

Hoe Ontdekkend is Ontdekkend Leren Nog?

Deze blog schreef ik oorspronkelijk voor het oktobernummer van Didactief waar ik iedere maand iets schrijf over m.i. spraakmakend wetenschappelijk onderzoek en wat de betekenis daarvan is in/voor het onderwijs. Dit keer gaat het over ontdekkend- en probleemgestuurdleren en of deze vlag de lading nog dekt.

In 2006 schreef ik, samen met John Sweller en Dick Clark, een inmiddels berucht/beroemd (kies zelf) artikel over ontdekkend leren. Daarin legden wij uit waarom deze aanpak niet effectief en ook niet efficiënt is. Sindsdien zijn er veel artikelen geschreven van voor- en tegenstanders daarover. Tegelijkertijd kwam er een tendens om ontdekkend leren meer begeleid ontdekken te laten worden, om probleemoplossend leren te voorzien van gewone instructie, enzovoorts. Onlangs verschenen twee artikelen die meer licht op deze kwestie werpen.

De eerste is een uitstekende meta-analyse van Ard Lazonder en Ruth Harmsen van de effecten van begeleiding – eigenlijk verschillende vormen van instructie - op ontdekkend leren[1]. Ze omschrijven ontdekkend leren als een ‘methode…waarin leerlingen experimenten uitvoeren, observaties maken of informatie verzamelen om de principes die onder een onderwerp of domein liggen af te leiden’, met als leidraad onderzoeksvragen van de leraar of van  de leerling zelf.

De onderzoekers constateerden dat het toevoegen van begeleiding een positief effect had op het succesvol uitvoeren van de leertaak en ook op de leeruitkomsten. Ze vonden daarentegen geen positief effect  op de uitgevoerde leeractiviteiten (zoals hypothesen genereren, experimenten ontwerpen, reflecteren op resultaten). De eerste twee uitkomsten lijken mij niet meer dan logisch. Duh…goede instructie leidt gewoon tot beter leren dan geen instructie. De laatste uitkomst komt op mij wel vreemd over, omdat voorstanders van ontdekkend leren vaak deze uitgevoerde leeractiviteiten opgeven als reden om te kiezen voor ontdekkend leren. Ook gelden juist deze activiteiten als verklaring waarom kinderen  door ontdekkend leren beter zouden leren en presteren.

Eerlijk gezegd vind ik het fijn dat men afstapt van het idee dat ontdekken zonder instructie zal leiden tot leren. In het artikel lees ik zelfs dat ‘de effectiviteit van ontdekkend leren bijna helemaal afhankelijk is van de beschikbaarheid van geschikte begeleiding’ (p. 684). Wat ik raar en zelfs onterecht vind, is dat de auteurs deze gemengde aanpak tegenover ‘meer verklarende vormen van instructie’ (p. 684) zetten. Dit is een slechte karikatuur van ‘gewoon’ lesgeven, alsof dat enkel het geven van een hoorcollege is. Eerlijk gezegd, dit lijkt een beetje op wat wij een stropopredenering (straw man argument) noemen. Onder wat de auteurs begeleiding noemen valt: beperken/begrenzen van de taakgrootte (constraining), leerlingvoortgang zichtbaar maken (status updating), herinneren dat iets gedaan moet worden (prompting), vertellen hoe iets uitgevoerd moet worden (heuristics), uitleg geven en/of overnemen van moeilijke delen van de taak (scaffolding) en ‘exact uitleggen hoe iets gedaan moet worden’ (explaining). Deze technieken vallen volgens mij gewoon onder de noemer van instructie ofwel goed onderwijs geven. Wie kan daar tegen zijn?

Het tweede artikel van Katharina Loibl, Ido Roll en Nikol Rummel is ook een meta-analyse en gaat over wanneer en hoe problemen oplossen gevolgd door instructie het leren optimaal bevordert en waarom. Hier kijken de auteurs naar een verzameling onderzoeken over de combinatie van probleemgestuurd leren PGL en instructie. Zij concluderen dat deze combinatie alleen werkt wanneer er zeer gerichte instructie plaatsvindt, gericht op de gemaakte fouten dan wel gevonden leemtes in de eigen oplossing in vergelijking met een correcte oplossing dan wel met de oplossing van een andere leerling. Duh kwadraat!!

Wel raar is dat de auteurs op basis van hun analyse met een waterval van handelingen komen die de volhoudende PGL’er kenmerkt. Stap 1 in de waterval is voor PGL-adepten bijna altijd ‘het ophalen van voorkennis’, gevolgd door het uitvoeren van het probleem, het geven van de contrasterende casus of de oplossing van een andere leerling en als laatste stap expliciete instructie. Wat ik niet begrijp is waarom het uitgangspunt altijd ‘het ophalen van voorkennis’ is. Deze kennis is namelijk vaak incompleet, incorrect. irrelevant of zelfs geheel afwezig. Waarom zegt men niet dat kennis vooraf nodig is en dat die ook opgedaan kan worden met goede instructie vooraf door de docent of via een video of…? Waarom geen door de docent(e) begeleide groepsdiscussie vooraf?

Mijn conclusie is geen sombere. Langzamerhand (sinds mijn oorspronkelijke artikel in 2006) komt men bij zinnen. Hierdoor wordt het onderwijs steeds beter. Maar tegelijkertijd constateer is: Er is nog een lange weg te gaan.

Herblog naar hartenlust en

Volg mij ook op Twitter @P_A_Kirschner

Kirschner, P. A., Sweller, J., & Clark, R. E. (2006). Why minimal guidance during instruction does not work: An analysis of the failure of constructivist, discovery, problem-based, experiential, and inquiry-based teaching. Educational Psychologist, 41, 75–86. doi:10.1207/s15326985ep4102_1

Lazonder, A. W., & Harmsen, R. (2016). Meta-analysis of inquiry-based learning: Effects of guidance. Review of Educational Research, 86, 681-718. doi: 10.3102/0034654315627366

Loibl, K., Roll, I., & Rummel, N. (2016). Towards a theory of when and how problem solving followed by instruction supports learning. Educational Psychology Review. doi: 10.1007/s10648-016-9379-x

[1] De auteurs hanteren de volgende definitie voor ontdekkend leren (p. 68): “method …in which students conduct experiments, make observations or collect information in order to infer the principles underlying a topic or domain. These investigations are governed by one or more research questions, either provided by the teacher or proposed by the student; adhere (loosely) to the stages outlined in the scientific method; and can be performed with computer simulations, virtual labs, tangible materials, or existing databases.”

Snel de Put Dempen? Effecten van Motivatie en Betrokkenheid?

Deze blog schreef ik oorspronkelijk voor het maartnummer van het blad Didactief waar ik iedere maand iets schrijf over m.i. spraakmakend wetenschappelijk onderzoek en wat de betekenis daarvan is in/voor het onderwijs. Hier een iets meer uitgebreider versie.

Een vaak gehoorde uitspraak van ouders, docenten, politici en ook wetenschappers is dat dat HET probleem met het onderwijs op dit moment is dat leerlingen het onderwijs saai / onaantrekkelijk vinden en daardoor leren zij slecht(er). Concepten als motivatie en engagement (betrokkenheid) worden vaak gebruikt als sleutels voor het verbeteren van het onderwijs. Als je de leerling beter motiveert, dan zal zij/hij beter leren. Nog beter is het - volgens zelfbeschikkingstheorie adepten (EN: self-determination theory; volgelingen van Richard Ryan en Edward Deci[1]) - als de motivatie intrinsiek is; dus vanuit de leerling zelf en niet veroorzaakt wordt via beloningen van buiten. Als je maar kan zorgen dat de leerling meer betrokken wordt bij het leren dan zal haar/zijn leren toenemen. Na het poneren van deze ‘waarheden als koeien’ volgen allerlei maatregelen om motivatie en betrokkenheid te verhogen zoals door gebruik te maken van meer ontdekkende vormen van leren die nieuwsgierigheid opwekken en dus motiverend is, invoering van ICT en multimedia in de lessen waarbij de taak meer realistisch (ook wel authentiek genoemd) waardoor de leerling meer betrokken raakt, enzovoorts. Maar klopt dit allemaal?

Eerst betrokkenheid: Andrew McConney en collega’s onderzochten[2] meer dan 41.000 vijftienjarigen in Australia, Canada en Nieuw Zeeland. Na het bepalen of het onderwijs in de natuurwetenschappen van deze leerlingen een laag of een hoog niveau van ontdekkingsgerichte leeractiviteiten hadden, vergeleken zij hun (1) wetenschappelijke geletterdheid (volgens PISA, ‘de vaardigheid om wetenschappelijke kennis te gebruiken, om vragen te stellen, en om gefundeerde conclusies te trekken met als doel het begrijpen en helpen nemen van beslissingen over de natuurlijke omgeving en de veranderingen die de mens er heeft in aangebracht’), (2) natuurwetenschappelijke interesse, en (3) natuurwetenschappelijke betrokkenheid. Wat zij vonden was dat leerlingen die van ontdekkingsgericht onderwijs hadden genoten (geen woordgrap bedoeld) een hoger dan gemiddeld niveau van betrokkenheid en interesse vertoonden maar een lager dan gemiddeld niveau van wetenschappelijke geletterdheid. Met andere woorden, het was interessant en zij voelden zich betrokken, maar zij leerden minder dan het gemiddelde. Daarentegen, de leerlingen die het weinig ontdekkingsgerichte onderwijs kregen vertoonden lager dan gemiddelde interesse en betrokkenheid maar een hoger dan gemiddelde wetenschappelijke geletterdheid! De auteurs concluderen: “[D]eze resultaten lijken in strijd zijn met de heersende orthodoxie van onderwijsmensen dat hoe meer ontdekkingsgericht het onderwijs is, hoe groter de kans is dat ze een sterkere wetenschappelijke geletterdheid verwerven”. De eerste ‘waarheid als een koe’ is in de put gevallen en verdronken.

En hoe zit het met intrinsieke motivatie? Gabrielle Garon-Carrier en collega’s[3] volgden circa 1500 Canadese leerlingen op de basisschool om na te gaan hoe de relatie tussen intrinsieke motivatie en schoolprestaties in rekenen eigenlijk in elkaar zat. De studie was longitudinaal, wat wil zeggen dat herhaald wordt gekeken naar dezelfde verschijnselen (variabelen) over een langere tijdsperiode; hier intrinsieke motivatie en rekenprestaties over een periode van 4 jaar. In dit onderzoek werd ook rekening gehouden met geslacht en zogeheten non-verbale cognitieve vermogens (zoals ruimtelijke inzicht). Hun hypothese was dat de relatie wederzijds zou zijn; dat de intrinsieke motivatie voor rekenen de rekenprestaties zouden beïnvloeden en andersom. Wat zij vonden echter, was dat rekenprestaties een significant positief effect had op intrinsieke motivatie, maar dat motivatie geen enkel effect had op de rekenprestaties. En zij vonden dit zowel voor jongens als voor meisjes. Het lijkt alsof dat door goed te presteren, de motivatie om te leren omhoog gaat maar niet andersom. De auteurs schrijven dat hun “resultaten gaan tegen de opvatting dat intrinsieke motivatie leidt op een natuurlijke wijze tot hogere prestaties in rekenen, waarbij vragen gesteld mogen worden over de theoretische uitgangspunten die onder zelfbeschikkingstheorie liggen. In tegenstelling tot deze theorie, vertaalt intrinsieke motivatie zich niet in hogere leerprestaties”. De tweede ‘waarheid als een koe’ lijkt ook enigszins in de put te zijn gevallen.

Misschien is het echt tijd om na te denken over – en ook goed onderzoek te doen naar - de vanzelfsprekendheden die wij zo graag willen geloven en ook vaak implementeren in het onderwijs.

NB: Ik schrijf dit op 28 januari en toevallig staat op de Bildung scheurkalender 2016 van vandaag “Een leerling kómt niet gemotiveerd naar school. Een leerling komt naar school om gemotiveerd te ráken”. In het licht van het voorgaande krijgt deze citaat van Prof. Monique Volman uit haar oratie een heel andere betekenis!

[1] Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2002). Overview of self-determination theory: An organismic dialectical perspective. In E. L. Deci & R. M. Ryan (Eds.), Handbook of Self-Determination Research (pp. 3-34). Rochester, NY: University of Rochester Press.

[2] McConney, A. & Oliver, M. C. & Woods-McConney, A. & Schibeci, R. & Maor, D. (2014). Inquiry, engagement, and literacy in science: A retrospective, cross-national analysis using PISA 2006. Science Education. 98, 963–980. doi: 10.1002/sce.21135

[3] Garon-Carrier, G.,Boivin, M.,Guay, F.,Kovas, Y.,Dionne, G.,Lemelin, J-P.,Séguin, J.,Vitaro, F., &Tremblay, R. (2016).Intrinsic motivation and achievement in mathematics in elementary school: A longitudinal investigation of their association. Child Development, 87(1), 165–175,

 

Herblog naar hartenlust!

Je kan mij ook op Twitter vogen @P_A_Kirschner

The Science of Learning - Deans for Impact

Vandaag om 16 uur Nederlandse tijd is een document van Deans for Impact  online gegaan met de naam The Science of Learning. Dit document is in wezen een samenvatting van de belangrijkste bevindingen uit onderzoek in de cognitieve wetenschappen over hoe studenten/leerlingen leren. De resultaten van het onderzoek worden verbonden met de praktische implicaties daarvan voor zowel het leren als het doceren. Het document is bedoeld als bron van informatie voor lerarenopleidingen, nieuwe docenten, LIO's, en iedereen die te maken heeft met het onderwijs en die geïnteresseerd is in wat de wetenschap zegt over hoe men leert en hoe de resultaten geïmplementeerd kunnen worden.

Knipsel

Ik heb de eer gehad om een van de ondertekenaars daarvan te zijn.

4 resultaten getoond.