Blog

Geleerde lessen rond meertalige MOOCs #EUMOOCs
De afgelopen week heb ik in Madrid deelgenomen aan een projectvergadering van EMMA: European Multiple MOOC Aggregator. Dit project wil MOOCs van Europese instellingen voor hoger onderwijs in meerdere talen toegankelijk maken. De Nederlandstalige MOOCs van de OU kunnen daardoor bijvoorbeeld in het Engels toegankelijk worden voor anderen. Daarmee zou kennis over bepaalde onderwerpen ook vanuit verschillende culturele perspectieven beschikbaar komen. Zo’n project levert de nodige uitdagingen op.
 
Logo EMMAHet EMMA-project is half april van dit jaar gelanceerd. De druk was groot om op korte termijn MOOCs via het EMMA-platform aan te bieden. Het afgelopen najaar zijn daarom de eerste MOOCs beschikbaar gekomen. De OU was aanvankelijk van plan om de in 2013 uitgevoerde MOOC over e-learning en de onlangs uitgevoerde MOOC over blended learning ontwikkelen ook in het Engels aan te bieden. Dat is niet gelukt. In het voorjaar volgt poging twee.
 
We hebben namelijk te maken gehad met een aantal issues. In de eerste plaats bleek dat wij een ander perspectief hadden van de term ‘aggregator’. Het bleek de bedoeling te zijn dat we onze MOOCs ook gingen invoeren in een apart platform. Je kunt een Description of Work vaak niet concreet genoeg maken....
 
Organisaties die geen gebruik maken van een platform voor MOOCs, kunnen hun grootschalige en vrij toegankelijke cursussen via het EMMA-platform aanbieden. Op zich is dat handig. Maar voor ons betekende dat omzetten van onze MOOCs naar een ander platform. De afgelopen week is dan ook opgemerkt dat de term ‘Aggregator’ eigenlijk de lading niet dekt.
 
Het EMMA-platform kent bovendien een heel andere structuur, en ook andere functionaliteiten dan het platform van de OU. Daardoor moesten we de structuur van de MOOCs opnieuw gaan ontwerpen, en ook gaan nadenken over hoe we bepaalde leeractiviteiten wilden uitvoeren. Bovendien bleken niet alle functionaliteiten op dat moment goed te werken. 
 
Verder moesten de teksten worden aangepast. De bestaande teksten verwijzen namelijk naar bepaalde onderdelen en termen van het OpenU-platform, zoals studietaken en opdrachten. In feite moesten we dus de twee MOOCs herontwerpen. Aanbieders van nieuwe MOOCs hebben hier niet mee te maken.
 
Vervolgens moesten de teksten en de video’s ook automatisch worden vertaald. Een Spaanse partner beschikt over software waarmee gesproken tekst en geschreven tekst vertaald kan worden. Het resultaat is niet perfect, maar wel acceptabel. Soms is handmatig bewerken vereist. Wel heeft deze software moeite met ‘culturele interpretaties van taal’. Een uitdrukking in het Italiaans kan wat anders in het Spaans betekenen.
 
De partner uit Valencia had echter nog geen ervaring met de Nederlandse taal. Dat betekende dat de software zich de Nederlandse taal eerst nog eigen moest maken. We hebben eerst bestaande vertaalde bestanden aan moeten leveren waarmee de software ‘getraind’ kon worden. Vervolgens moesten we onze teksten en video’s aanleveren. De video’s van de MOOC Blended learning ontwikkelen kwamen, dankzij de live sessies, echter pas in de loop van het najaar beschikbaar. 
 
Het bleek ook dat wij in Nederland, zeker op dit vakgebied, veel Engelstalige termen  gebruiken. Bovendien maakt de OU gebruik van onder andere Duitstalige onderzoekers die met een duidelijk accent spreken. Hierdoor werd de vertaalsoftware ‘op het verkeerde been’ gezet. Over een Limburgs accent hebben we het niet gehad….
 
Het gevolg was dat de vertalingen van een niet-acceptabel niveau waren, en ook niet eenvoudig konden worden verbeterd. Daarom hebben we dit najaar deze twee MOOCs niet via het EMMA-platform in het Engels aangeboden.
 
In januari 2015 komt een nieuwe, ’slimmere’, versie van de vertaalsoftware beschikbaar. Ook komt dan een volgende versie van het EMMA-platform uit. We willen daarom in het voorjaar alsnog onze twee MOOCs in het Nederlands en Engels gaan aanbieden. Andere partners zullen met een tweede MOOC starten, of bieden voor het eerst een MOOC aan (dat geldt bijvoorbeeld voor de Universiteit van Boulogne of de Universiteit van Tallinn). Later in 2015 volgen nog meer MOOCs. De doelstelling van het project is belangrijk genoeg om ons te laten weerhouden door dergelijke issues.
 
Het EMMA-platform en de vertaalmogelijkheid komen ook beschikbaar voor andere aanbieders. Op dit moment ontwikkelen we criteria die we kunnen gebruiken over de selectie van MOOC-aanbieders. Projectpartner Grainne Conole heeft daar gisteren over geblogd.  Ik denk zelf dat dit een interessante mogelijkheid kan zijn voor Nederlandse HBO-instellingen, die nog geen MOOCs hebben ontwikkeld.
OnderwijsInnovatie over praktijkgericht onderzoek en effectief schrijfonderwijs
Gisteren viel de meest recente papieren editie van het blad OnderwijsInnovatie bij abonnees in de bus. De online editie is uiteraard ook beschikbaar. Dit tijdschrift bevordert m.i. de betekenis van onderwijsonderzoek voor de onderwijspraktijk.  
 
Ik wil een aantal bijdragen kort bespreken.
 
Rob Martens, Sjef Stijnen en Hans Olthof schrijven dat het nieuwe standaard evaluatie protocol (SEP) mogelijkheden biedt om beter en meer praktijkgericht onderzoek uit te voeren. Zij stellen onder meer dat de huidige publicatiedruk leidt tot minder aandacht van onderwijsonderzoekers voor de onderwijspraktijk. Binnen het SEP ligt minder nadruk op de publicatiedruk maar op wetenschappelijke kwaliteit, maatschappelijke relevantie en levensvatbaarheid. Het criterium ‘maatschappelijke relevantie’ biedt volgens de auteurs ruimte voor een partnerschapmodel van mensen uit de onderwijspraktijk en onderwijsonderzoekers. In hun artikel geven de auteurs aanzetten voor zo’n model.
 
Milou de Smet, Saskia Brand-Gruwel en Paul Kirschner laten in een praktisch artikel zien hoe de schrijfvaardigheid van leerlingen en studenten kan worden verbeterd en hoe docenten het bestaande schrijfonderwijs kunnen optimaliseren. Daarbij gaan zijn onder meer in op een elektronische outline-tool als belangrijk middel bij het ondersteunen van het schrijfproces. Zo’n tool is bijvoorbeeld aanwezig binnen de tekstverwerker Word. Het gebruik van deze tool maakt onderdeel uit van één van de bekendste schrijfstrategieën, namelijk de planningsstrategie. Onderzoek laat zien dat een elektronische outline-strategie de schrijfvaardigheid van leerlingen positief beïnvloedt. Leerlingen blijken echter expliciete instructie nodig te hebben omdat zij deze strategie uit zichzelf niet of nauwelijks gebruiken. Dit praktische artikel is gebaseerd op het proefschrift van Milou de Smet. Ik vind dit een mooie manier van valorisatie van wetenschappelijk onderzoek. Valorisatie is het exploiteren van resultaten en geleerde lessen van onderzoek en projecten.
 
Fred de Vries stelt dat hoger open online onderwijs weliswaar volop in de publieke aandacht staat (onder meer van de Europese Commissie), maar dat er nog steeds geen modellen voor deze vorm van onderwijs zijn die studenten binden en die voldoende omzet genereren. De landelijke overheid heeft volgens de auteur een belangrijke taak om hier een impuls aan te geven.
 
Nadira Saab vat in de rubriek Onderzoeksnieuws vier recente publicaties samen.
  • Onderzoek van Ellahe Chabani laat zien dat de game Tang Solver leidt tot een beter functionerend visueel ruimtelijk denkvermogen. 
  • R. Takizawa cs tonen aan dat de effecten van pesten ook op langere termijn hevig kunnen zijn (bijvoorbeeld groter risico op depressie en zelfmoordgedachten, slechter cognitief functioneren of een lagere waardering van het leven). Dit maakt de noodzaak van anti-pestprogramma’s nog groter. 
  • Uit een metastudie van Jeroen Janssen blijkt welke factoren er toe bijdragen dat samenwerkend leren effectief is.  Daarbij gaat het om het trainen van samenwerkingsvaardigheden, het vergroten van de wederzijdse afhankelijkheid van leerlingen en samenstellen van gemengde groepen van jongens en meisjes. Of het gebruik van ICT effectief is, hangt af van het doel van de ICT-toepassing. 
  • Pam Mueller en Daniel Oppenheimer concluderen op basis van onderzoek dat het maken van aantekeningen met een pen de voorkeur zou moeten hebben boven het maken van aantekeningen met een computer. Studenten die aantekeningen met de hand maken blijken een beter conceptueel begrip te hebben, dan studenten die aantekeningen op een laptop maken. Dat komt omdat de eerste categorie studenten de informatie verwerken en in eigen woorden opschrijven, terwijl studenten met een laptop informatie eerder letterlijk overnemen. Het gaat er dus om hoe je deze technologie toepast.
 
Monique Korenhof, Renée de Kruif en Maarten de Laat geven een impressie van een professionalisering van Arubaanse leraren via netwerkleren. Zij onderscheiden daarin vier fasen: ploegen, zaaien, cultiveren en oogsten. Deze fasen worden geïllustreerd met citaten uit interviews, en afgesloten met aandachtspunten (in totaal 20).
De gevolgen van online lezen voor het onderwijs

De laatste tijd ben ik geattendeerd op twee relevante artikelen over de gevolgen van online lezen en het onderwijs. Het ene artikel pleit voor het verwerven van nieuwe vaardigheden op het gebied van online tekstbegrip. Het andere artikel meent dat online lezen vooral ook met ons gedrag te maken heeft. Een derde bijdrage gaat over schrijven en tekstbegrip.

Jeroen Clemens stelt in een recente editie van het Levende Talen Magazine dat online lezen leidt tot nieuwe uitdagingen voor docenten. Jongeren gebruiken weliswaar intensief digitale media, maar dat betekent nog niet dat zij goed zijn in het begrijpen van online informatie (online tekstbegrip). Als we het bekende maar ook omstreden PISA-onderzoek mogen geloven dan valt 18% van de jongeren hier op uit. In feite, stelt Jeroen, zijn deze jongeren functioneel ongeletterd. Opvallend is dat deze groep jongeren niet altijd dezelfde groep is die ook uitvalt op offline tekstbegrip.

Voor het begrijpen van online informatie blijk je namelijk over andere, aanvullende, vaardigheden te moeten beschikken dan voor offline tekstbegrip. Dat komt onder meer doordat online teksten over andere kenmerken beschikken dan offline teksten. Online teksten (en dan hebben we het niet over pdf-bestanden van klassieke artikelen) zijn bijvoorbeeld veelal niet lineair opgebouwd, worden aangevuld met multimedia, worden in interactie met lezers opgebouwd en zijn niet statisch.

Taaldocenten worden daarbij ook geconfronteerd met diverse termen als het gaat om noodzakelijke nieuwe vaardigheden (zoals ICT-vaardigheden, informatievaardigheden of digitale geletterdheid). Jeroen pleit voor het gebruik van de terrmen online tekstbegrip en online geletterdheid (het kunnen lezen en schrijven van online teksten). Hij geeft daarbij aan dat goed kunnen navigeren op internet bijvoorbeeld een nieuwe vorm van doelgericht lezen is geworden, en dat 'zoekend lezen' veel belangrijker is geworden (slim vragen kunnen stellen bij zoekmachines). Verder is bijvoorbeeld het kunnen integreren van soms tegenstrijdige informatie uit vaak parallel aangeboden (multimediale) bronnen erg belangrijk geworden.

Hij pleit er daarom voor dat binnen het onderwijs meer nadruk wordt gelegd op het werken met leesdoelen en leesstrategieën, en dat daar ook op wordt getoetst. Het begrijpen van online teksten zou expliciet moeten worden ingebed in curricula. Uit zijn eigen promotieonderzoek blijkt dat een grote groep van de deelnemende docenten Nederlands vindt dat het onderwijs meer aandacht zou moeten besteden aan online tekstbegrip, maar dat tevens driekwart niet weet hoe dat zou moeten gebeuren. In andere landen heeft men daar meer ervaring mee opgedaan, waarbij opvalt dat 'peer teaching' vaak wordt ingezet en docenten vooral een begeleidende rol vervullen.

Jeroen Clemens illustreert m.i. terecht dat online tekstbegrip vandaag de dag niet alleen heel belangrijk is geworden, maar ook anders is dan offline tekstbegrip. Kennis van online tekstbegrip is van groot belang voor het hele onderwijs, en alle vormen van leren. Daar zal inderdaad meer aandacht aan moeten worden besteed.

Cognitief psycholoog Daniel Willingham kiest in een recente bijdrage voor een andere invalshoek. Hij stelt dat vaak wordt aangenomen dat we oppervlakkiger leren door via het scherm te lezen, maar dat onderzoek deze opvatting nog onvoldoende ondersteunt. Jongeren besteden vaak meer tijd aan het lezen van geschreven teksten, maar scoren vaak niet slechter of beter op tekstbegrip als zij van papier lezen (in plaats van online). Hij suggereert dat onze hersenen weliswaar nog steeds in staat zijn om langere, complexe, teksten (online of offline) te verwerken, maar dat mensen minder bereid zijn om uitgebreide teksten te bestuderen. We hebben dat ook lang niet altijd nodig om ons doel te bereiken. We kunnen dus nog steeds aandachtig lezen en zorgvuldig denken, maar doen dat lang niet altijd.

Beide bijdragen vullen elkaar wat mij betreft aan. We zullen niet alleen bekwamer moeten worden op het gebied van online tekstbegrip, maar we zullen ook bereid moeten zijn om die verworven bekwaamheden toe te passen.

Ik heb overigens ook wel eens eerder over onderzoek gelezen waaruit zou blijken dat lezen via een PC of laptop minder effectief zou zijn dan lezen vanaf papier omdat lezen vanaf een beeldscherm cognitief meer belastend zou zijn.

Pedro de Bruyckere besteedt op zijn beurt weer aandacht aan de relatie tussen schrijven en tekstbegrip en verdiepend leren. Hij vat een experimenteel onderzoek samen waaruit blijkt dat het maken van aantekeningen via een laptop minder effectief zou zijn voor het ontwikkelen van conceptuele kennis dan het maken van aantekeningen op papier. Voor feitenkennis zijn er geen significante verschillen. Ook als proefpersonen geen letterlijke fragmenten mochten gebruiken, dus hetgeen zij hoorden in eigen woorden moesten verwerken, bleek het op papier schrijven effectiever te zijn dan aantekeningen maken op een laptop. Hetzelfde geldt voor het achteraf nakijken en desgewenst bewerken van aantekeningen op een laptop.

Het is niet bekend of andere factoren in het spel zijn. Of we bijvoorbeeld analoog aan online tekstbegrip specifieke online schrijfvaardigheden moeten ontwikkelen. Of dat bepaalde motorische vaardigheden, die je alleen via pen en papier toepast, dusdanig positief van invloed zijn op tekstbegrip dat deze niet digitaal kunnen worden gecompenseerd.

Pleidooi kwaliteitskeurmerk reanimatieapps

ReanimatieappBinnen App stores is een groot aantal apps voor smartphones te vinden die gebruikers kunnen voorbereiden op het uitvoeren van reanimaties. Een goede zaak. Ware het niet dat de meeste reanimatieapps niet voldoen aan de laatste medische richtlijnen en onvoldoende gebruiksvriendelijk zijn.

Dat blijkt uit onderzoek van een aantal van mijn collega’s van het Welten-instituut, die daarom pleiten voor een keurmerk.

Reanimatie is van groot belang. De overlevingskans bij een hartstilstand neemt sterk toe als burgers weten hoe zij kunnen reanimeren. Reanimatieapps kunnen op zich een belangrijke rol spelen als middel om mensen te instrueren over reanimeren.

Een aantal collega’s van het Welten-instituut heeft de afgelopen tijd 61 apps onderzocht op de kwaliteit van de medische informatie (betrouwbaarheid) en op de praktische bruikbaarheid. Van de uitkomsten word je helaas niet vrolijk:

  • Slechts 14 van de 61 apps gaan uit van de meest recente medische richtlijnen (mond-op-mond beademing is bijvoorbeeld niet meer noodzakelijk).
  • Vijf van de 14 betrouwbare reanimatieapps blijken ook positief te scoren op een ‘usabilitytest’. Eén ervan is de app van de Nederlandse Hartstichting.

Gezien het maatschappelijke belang en het snelle veranderende aanbod aan apps, pleiten de onderzoekers daarom voor de invoering van een Europees Keurmerk dat bijvoorbeeld geïnitieerd kan worden door de Europese Reanimatieraad. De Nederlandse Hartstichting ondersteunt dit pleidooi.

Dit noem ik nu eens maatschappelijk relevant onderzoek naar technology enhanced learning!

OnderwijsInnovatie over richtingenstrijd binnen onderwijsbeleid, factoren bij onderwijsinnovatie en sociale media binnen onderwijsinstellingen

Gisteren viel de nieuwste editie van het blad OnderwijsInnovatie weer in de bus. Uiteraard staat deze editie ook online. Wat valt mij in deze editie op?

  • Onderwijsinnovatie maart 2014Een kort bericht over de toenemende weerstand tegen het nieuwe werken. Werknemers zijn bang om een eigen (vaste) werkplek te verliezen, en er is angst om contact met collega’s te verliezen.
  • Een interview met de CEO van softwarebedrijf Afas en een hoogleraar Software. Hierin valt te lezen dat veel briljante onderzoeken te zeer binnen de muren van de universiteit blijven hangen. Verder stellen de geïnterviewden dat samenwerking tussen ICT-bedrijven en universiteiten er voor zorgt dat studenten eerder in aanraking komen met innovatieve ICT-thema’s.
  • Rob Martens beschrijft een richtingenstrijd op het gebied van onderwijsbeleid tussen enerzijds het kamp van neoliberale bestuurskundigen en economen, en anderzijds het kamp van psychologen en motivatieonderzoekers. Het eerste kamp brengt volgens Martens menselijk gedrag en drijfveren terug tot winst en verlies, en tot meetbare scores.  Het tweede kamp zal volgens hem het "vermeende gebrek aan innerlijke drijfveren en moreel kompas" van het eerste kamp nooit accepteren, en daarom in verzet komen tegen overheidsbeleid dat vanuit het eerste kamp is geformuleerd.
  • Bieke Schreurs, Wendy Kicken en Marlies Kieboom rapporteren over een kwalitatief onderzoek naar factoren die een rol spelen bij onderwijsinnovatieprojecten. Zij benadrukken het dynamische verloop van onderwijsinnovatieprojecten, waarbij sprake zou moeten zijn van “voldoende tijd, ruimte, vertrouwen, enthousiasme, reflectie en waardering” voor docenten die expertimenteren met vernieuwingen. Daar komt bij dat pionierende docenten over bepaalde kerncompetenties zouden moeten beschikken, zoals intrinsieke motivatie, het vermogen om samen te werken en het kunnen motiveren van anderen. De aanbevelingen in het artikel zijn dan ook gericht op de beschreven factoren en kerncompetenties.
  • Alf Moens stelt dat sociale media een steeds belangrijkere rol spelen binnen het onderwijs. Hij adviseert instellingen in het gebruiksregelement of studentenstatuut op te nemen welke middelen worden ingezet om te communiceren, en wat de reactietermijn zal zijn. Daarbij zal onder meer rekening gehouden moeten worden met de belangen van verschillende betrokkenen. Gezien het dynamische karakter van sociale media zal regelmatig bepaald moeten worden welke media voor communicatie worden ingezet.
  • Lieke Walet, Margreet Engelhart en Gerard Straetmans doen verslag van een onderzoek waarin de smartphone met een specifieke app is ingezet om toetsangst te meten. Het blijkt namelijk logistiek lastig te zijn om een dergelijke test op papier af te nemen. Gebruikers blijken dit een efficiënte manier van toetsafname te vinden.
 
Toont 1 - 5 van 74 resultaten.
Items per pagina 5
van 15