Blog

Invoer met tag didactiek.

Bloggen als verwerkingsopdracht

Hoe je weblogs als leeractiviteit kunt inzetten, toont onderstaande casus.

Bloggen

Op dit moment ben ik docent van de Massive Open Online Course over e-learning. Enkele weken geleden vond in het kader van deze MOOC een OpenU Kennisnet masterclass plaats over learning analytics.

Ik heb de deelnemers gevraagd om als verwerkingsopdracht een blog post te schrijven:

Schrijf nu een persoonlijke blogpost over de belangrijkste mogelijkheden en risico’s van learning analytics, die u signaleert.

Het resultaat bestond uit tientallen bijdragen. Vervolgens heb ik de volgende oproep geplaatst:

Wie wil een reflectieve blog post schrijven over deze bijdragen? Dat wil zeggen: wat is de rode draad, welke verschillende opvattingen en invalshoeken signaleer je en wat vind je daar van (en waarom)?

Ik heb daarbij aangegeven dat mij dit echt iets leek voor degenen die in de intakevragenlijst van de MOOC hebben aangegeven al redelijk veel over e-learning te weten.

Aike van der Hoeff heeft deze handschoen opgepakt. Gisteravond schreef hij de blog post Learning Analytics - blog review.

Volgens hem kiezen de meeste bloggers in deze MOOC voor twee invalshoeken. Hij besteedt echter ook aandacht aan een derde invalshoek. Verder gaat Aike op een aantal bijdragen specifiek in. Tenslotte trekt hij drie conclusies.

Ik ga dit bewust niet samenvatten. Lees de blog post zelf maar. Ik wil jullie wel Aike's 'PS' niet onthouden:

P.S. door het schrijven van deze blog is de kennis over wat LA is pas echt goed verankerd in mijn 'systeem'.

Dit citaat slaat wat mij betreft de spijker op z'n kop. Bloggen is een prima manier om te reflecteren op een ontwikkeling, en zo informatie te verwerken. En het is mooi meegenomen dat je ook kennis deelt.

Foto: Maik Meid

Discussies binnen MOOCs: wat is het probleem? #elearnmooc

De laatste tijd kom ik bijdragen tegen die vragen stellen bij de zinvolheid van online discussies bij Massive Open Online Courses (MOOCs). Aan de ene kant wordt geklaagd over chaos door overvloed, aan de andere kant over gebrekkige participatie door lerenden. Wat is het probleem? En kunnen we daar wat aan doen? Onlangs besteedde ik op mijn persoonlijke blog aandacht aan een blogpost van James Cridland waarin deze zich afvraagt of online fora binnen MOOCs wel bijdragen aan leren, en niet averechts werken. Discussies verlopen vaak chaotisch, zijn lang niet altijd leerzaam en bovendien gebruiken lerenden andere platforms (zoals Facebook) voor interactie.

Discussionforum

Phil Hill vraagt zich nu ook af of discussies binnen MOOCs niet eerder een belemmering vormen voor betrokkenheid van lerenden. Hij haalt daarbij Robert McGuire aan die stelt dat meer deelnemers kan leiden tot meer isolatie binnen een menigte. Deelnemers aan MOOCs blijken vooral over online discussies te klagen omdat zij door de bomen het bos niet meer lijken te zien. Ik noem dat 'interaction overload'.

De fora hebben onvoldoende functionaliteiten om onderwerpen te verbinden, en bijdragen te filteren en te sorteren. Hill illustreert aan de hand van een aantal onderzoeken dat relatief weinig deelnemers participeren in discussies en dat er altijd sprake is van een kleine groep die de conversaties domineert. Het blijken vooral studenten, die een certificaat willen behalen, te zijn die actief zijn binnen MOOCs.

Tegelijkertijd blijkt uit een onderzoek dat er sprake is van een geringe correlatie tussen het percentage discussianten en de omvang van de MOOC. Hill constateert ook dat studenten vaker participeren in andere leeractiviteiten (zoals het bekijken van video's, het maken van toetsen en opdrachten). Hij concludeert op basis hiervan dat we bij MOOCs moeten zoeken naar andere vormen van betrokkenheid, dan online discussies. Hij merkt echter ook op dat er wel voorbeelden van het succesvol gebruik van fora binnen MOOCs. Hill suggereert dat de docent hierin een stimulerende rol speelt, en dat de wekelijkse vragen meerdere perspectieven toe laten.

Nadat ik Hill's bijdrage heb gelezen, vraag ik me af wat het probleem is:

  • In hoeverre passen online interacties bij je visie op online leren?
  • Zijn deelnemers aan MOOCs door de bomen het bos niet meer vanwege het grote aantal bijdragen en gebrekkige filtermogelijkheden?
  • Participeren deelnemers juist onvoldoende in discussies?

Ik beschouw interacties als een belangrijk middel voor kennisconstructie. Het is een manier om je gedachten opnieuw te structureren, en zicht te krijgen op andere perspectieven. Daarbij ga ik uit van interacties tussen de lerende en de content, de lerende en de docent, en de lerenden onderling (Moore, 1989). Ook zouden interacties verdiepend moeten zijn, en bij voorkeur reflectief. Khalil en Ebner constateren bijvoorbeeld dat het binnen MOOCs dikwijls aan interactie tussen docent en lerenden ontbreekt.

Je kunt interacties tussen lerenden en met een docent op verschillende manieren faciliteren. Elk medium (fora, chat, blogs, wiki's, twitter, polls, Facebook, enzovoorts) heeft voor- en nadelen en didactische toepassingsmogelijkheden (gebaseerd op hun 'affordances'). Ik heb nog geen alternatief gevonden voor eenvoudig vormgegeven fora als het gaat om meer uitgebreide conversaties (blogs zijn prachtig, maar complexer in gebruik en bij een groot aantal blogposts verliezen lerenden ook het overzicht).

De tweede kwestie is wellicht te aan te pakken door te werken met subgroepen (complex, gezien het karakter van een MOOC), door functionaliteiten van discussiefora te verbeteren, door lerenden beter te bekwamen in het cureren van massa's informatie of door een bovengrens te stellen aan een MOOC. Als 25% van de deelnemers participeert in discussies dan zou een aantal van 1000 deelnemers wel eens een bruikbare bovengrens kunnen zijn. Ik ben hier zelf nog niet uit.

Het derde vraagstuk kan ook vanuit verschillende invalshoeken worden benaderd:

  • Niet-participeren in discussies is een vorm van legitimate peripheral participation (Lave & Wenger, 1991). Lurken (kijken, content bestuderen zonder te converseren) kan gebaseerd zijn op de voorkeur van deelnemers voor leeractiviteiten. Zij verwerken het geleerde wellicht op een andere manier, dan via discussiefora. Mijn visie op leren hoeft niet overeen te komen met de leervoorkeuren van andere deelnemers. Deze groep kan behoorlijk aanzienlijk in omvang zijn.
  • De mate van participatie in discussies is van meerdere factoren afhankelijk. Bijvoorbeeld van het individu (leervoorkeur, leerbehoefte, tijd en ruimte om te participeren, betrokkenheid bij het onderwerp, en dergelijke), van de technologie (laagrempeligheid), van de rol van de docent (stimuleren, bevordere. van aggregatie van bijdragen), van de 'concurrentie' van andere leeractiviteiten (zoals toetsen, opdrachten, online video's, online live events) en van de discussiestellingen en -vragen (complexe vragen kosten meer moeite om te beantwoorden, in welke mate zijn stellingen/vragen/reacties betekenisvol en prikkelend). Daar zul je m.i. dus vooral naar moeten kijken, als je vindt dat naar deelnemers naar verhouding weinig deelnemen.
Onderzoek 'Samen leren -tieners en sociale media' en het gelijk van Sugata Mitra

Stichting Kennisnet heeft samen met stichting Mijn Kind Online onderzoek gedaan naar de wijze waarop scholieren tussen de 10 en 18 jaar sociale media thuis en op school gebruiken om te leren. Mijn belangrijkste conclusie is dat jongeren inderdaad zelfgestuurd leren met sociale media, als zij intrinsiek gemotiveerd zijn.

De samenstellers van het onderzoek 'Samen leren -tieners en sociale media' hebben zelf een samenvatting van het rapport geschreven. In deze samenvatting ligt de nadruk op kwantitatieve gegevens.  Lees ook de conclusies en samenvatting vanaf pagina 45.

Ik wil me daarom vooral beperken tot een algemene impressie, met een focus op leren.

Kennisnet en Mijn Kind Online kijken terecht breed naar de bijdrage van sociale media aan het leren van jongeren. Zij beperken zich niet tot het leren op school. De onderzoekers laten zien dat sociale media en internet in het algemeen volop wordt gebruikt door jongeren om iets te leren over een hobby, of om een hobby (zoals muziek) beter uit te kunnen oefenen. Daarbij valt mij ook op dat jongeren bewust professionals volgen via Twitter en professionals op bijvoorbeeld YouTube bekijken. Je zou kunnen zeggen dat jongeren sociale media gebruiken om te 'modeleren' (een belangrijk aspect uit Bandura's leertheorie). Elf procent van de jongeren heeft zelf wel eens online video's geproduceerd om anderen iets uit te leggen.

Als het gaat om sociale media in het onderwijs, dan valt vooral op dat de mobiele telefoon op school weinig wordt gebruikt, terwijl jongeren hier wel massaal over beschikken. Van de sociale media wordt vooral YouTube gebruikt (47% van de tieners geeft aan dat dit platform wordt gebruikt). Docenten gebruiken filmpjes ter illustratie, als 'ice breaker' of voor uitleg. Facebook en Twitter worden amper gebruikt voor gestuurd leren. Video-uitleg van andere docenten, dan je eigen docent, wordt bovendien gebruikt voor zelfgestuurd leren.

Overigens wil driekwart van de jongeren vaker sociale media gebruiken binnen het onderwijs, ten behoeve van wat Puentedura 'augmentation' noemt: versterking en verrijking van het bestaande onderwijs. De 25% van de jongeren die niet méér sociale media in het onderwijs willen inzetten zijn vooral -en niet geheel ten onrechte- bang voor afleiding. Verder valt op dat jongeren een nogal traditionele perceptie hebben van onderwijs. Een goede docent kan vooral uitleggen, zich inleven in leerlingen, leuke verhalen vertellen, orde houden, en vertrouwen en respect hebben.

De onderzoekers hebben ook gekeken naar het gebruik van sociale media en internet voor school, maar niet 'op school'. Daaruit blijkt dat veel tieners Google en YouTube gebruiken voor extra informatie over de leerstof, voor oefentoetsen en om zichzelf te overhoren. Ouders blijken dan niet altijd door te hebben dat hun kinderen dan leren. De jongeren gebruiken sociale media ook om met anderen samen te werken en te leren (bijvoorbeeld via Dropbox, WhatsApp of Skype). Ook doen zij daarbij een beroep op derden.

Je kunt dus stellen dat jongeren hun eigen leeromgeving creëren met behulp van sociale media, en ook in staat zijn de muren van de school te doorbreken. Dit onderzoek illustreert m.i. ook dat jongeren bereid en in staat zijn om bepaalde kennis en vaardigheden zelfgestuurd te ontwikkelen, als de juiste motivatie en passie er is. Dit illustreert dat de Indiase hoogleraar Sugata Mitra wel eens meer gelijk zou kunnen hebben dan zijn opponenten wel eens stellen.

Sugata Mitra stelt dat jongeren in staat zijn om zelfgestuurd te leren met behulp van internet, als zij maar de juiste 'drive' hebben. Mitra kijkt daarbij vooral naar jongeren die niet over goede onderwijsmogelijkheden beschikken. Sinds Mitra van TED een omvangrijke geldprijs heeft ontvangen, is de kritiek op zijn onderzoek sterk aangezweld. Het onderzoek van Kennisnet en Mijn Kind Online laat zien dat jongeren aangeven in elk geval bepaalde kennis vaardigheden te ontwikkelen via zelfgestuurd online leren. Dat betekent wat mij betreft dat Mitra minimaal voor een deel gelijk heeft.

Ik constateer ook dat het gebruik van sociale media tijdens het onderwijs duidelijk achter blijft bij het gebruik voor zelfgestuurd leren. De onderzoekers stellen dat dit voor veel leerkrachten nog een onontgonnen gebied is. Niet alleen maken zij onvoldoende gebruik van de mogelijkheden, ook realiseren veel docenten zich onvoldoende hoe hun leerlingen sociale media gebruiken voor zelfgestuurd leren. Dit onderzoeksrapport zet hopelijk veel docenten en schoolleiders aan het denken nu blijkt dat sociale media lang niet alleen maar voor 'fun' worden gebruikt. Daarnaast kunnen jongeren gestimuleerd worden om sociale media meer te gebruiken om te creëren, aangezien je daar juist ook veel van leert.

Het onderzoek 'Samen leren -tieners en sociale media' heeft tenslotte ook een belangrijke beperking. De onderzoekers hebben alleen gekeken naar wat jongeren zeggen te doen. Ze hebben jongeren niet geobserveerd. In de praktijk blijkt er vaker een verschil te zijn tussen zeggen en doen.

De didactische basis van MOOC's: het geheel is meer dan de som der delen

Volgens drie Australische onderzoekers hebben massive open online courses een gedegen didactische basis. Ik vraag me echter af of deze conclusie gerechtvaardigd is. De onderzoekers kijken wat mij betreft te gefragmenteerd naar de didactische componenten.

In The pedagogical foundations of massive open online courses onderzoeken David George Glance, Martin Forsey en Myles Riley of bij MOOC's sprake is van een deugdelijke didactische basis. Zij lijken daarbij de zogenaamde xMOOC's synoniem te stellen met MOOC's. Volgens de auteurs hebben MOOC's de volgende didactische componenten gemeen:

  • massale participatie
  • online en vrij toegankelijk
  • hoorcolleges via korte video's, gecombineerd met formatieve quizzes
  • geautomatiseerd assessment en/of peer en self-assessment
  • online fora voor peer support en discussie

Deze componenten hebben veronderstelde didactische voordelen, zoals onderstaande tabel samenvat: Characteristics of MOOC's

 

Volgens de auteurs verschillen deze cursussen van reguliere universitaire cursussen door de combinatie van deze factoren, de massale deelname en het open karakter. Via een uitgebreide literatuurstudie hebben Glance cs vervolgens onderzocht in hoeverre er bewijsmateriaal is voor de veronderstelde voordelen van de didactische componenten. De belangrijkste conclusies zijn:

  1. Het is ingewikkeld om online cursussen te vergelijken met blended en face-to-face cursussen. Studies die gericht zijn op vergelijkingen vinden meestal geen significante verschillen in leerprestaties. In een aantal studies slaat de balans door in het voordeel van online leren. Andere studies wijzen wel op nadelen van online leren, zoals meer verzuim en een groter beroep op zelfsturing. Toch concluderen Glance sc dat online leren net zo effectief is, wellicht effectiever, dan klassikaal leren. Vanuit efficiency oogpunt is online leren bovendien ook noodzakelijk.
  2. MOOC's stellen lerenden in staat om 'wederkerend' te leren en regelmatig te toetsen of zij het geleerde hebben begrepen. Volgens de auteurs is er vanuit de cognitieve leerpsychologie veel bewijs dat dit veel voordelen voor leren heeft.
  3. MOOC's bieden lerenden de gelegenheid voor 'mastery learning' (stap voor stap, in eigen tempo leren en steeds beter worden). Onderzoek wijst op positieve resultaten van 'mastery learning' zien.
  4. De meeste studies wijzen op voordelen van peer assessment voor leren, en voor het ontwikkelen van vaardigheden voor zelfstandig leren dankzij self-assessment. Het laatste blijkt vooral belangrijk voor een leven lang leren. Binnen een Coursera-cursus bleek sprake te zijn van een sterke correlatie tussen beoordelingen op basis van peer assesment en beoordelingen door docenten.
  5. Online discussiefora spelen een belangrijke rol bij communityvorming, maar dragen pas bij aan verdiepend leren als sprake is van een zorgvuldige planning en begeleiding. Dit geldt overigens ook voor face-to-face discussies.

De overall conclusie van de drie Australische onderzoekers is

that MOOCs have a sound pedagogical basis for their formats.

Ik vraag me af of je deze conclusie op basis van hun literatuurstudie kunt trekken. In hun vergelijking van MOOC's met reguliere universitaire cursussen valt bijvoorbeeld op dat Glance cs het ontbreken van certificering en maatschappelijke erkenning niet noemen. Ook is het de vraag of MOOC's onder een vergelijkbaar kwaliteitszorg-regime vallen als reguliere universitaire cursussen. Het massale karakter is wat mij betreft ook een cruciale didactische component, die het overzicht van van didactische componenten en voordelen voor leren ontbreekt. Daarnaast ben ik van mening dat de onderzoekers de verschillende componenten te gefragmenteerd benaderen. Het geheel is meer dan de som der delen. Kun je wel naar de losse componenten kijken, en concluderen dat ze in gezamenlijkheid bijdragen aan een deugdelijke didactische basis? Waarbij je naar mijn mening onderscheidende didactische componenten, zoals de massaliteit, ook nog eens onvoldoende betrekt. Dat MOOC's lerenden in staat stellen wederkerend te leren en zichzelf regelmatig te toetsen, wil nog niet zeggen dat ze dat ook doen. Hetzelfde geldt voor 'mastery learning'. Het massale karakter en de hoge mate van vrijblijvendheid binnen MOOC's (door het ontbreken van certificering) kunnen deze didactische voordelen wel eens beperken of zelfs te niet doen. Volgens mij is het niet erg zinvol om naar de didactische basis van MOOC's te kijken, zonder oog te hebben voor massaliteit en vrijblijvendheid als didactische componenten, en zonder te kijken naar de samenhang van de onderlinge componenten.

Doe mee aan het online ronde tafelgesprek over best practices ICT en leren

Op vrijdag 5 oktober aanstaande vindt er een online ronde tafelgesprek plaats over best practices op het gebied van ICT in het onderwijs. Je kunt online deelnemen aan dit ronde tafelgesprek. Presentator en internetjournalist Herbert Blankesteijn is gespreksleider. Ik fungeer als tafelheer.

In de Ronde Tafel-sessie, onder leiding van presentator en internetjournalist Herbert Blankesteijn, geven vier gasten een korte presentatie over een ‘best practice’ ten aanzien van het gebruik van technologie in het onderwijs. Deze presentaties worden online uitgezonden en na elke korte sessie is er gelegenheid tot vragen stellen via chat.

Na de presentaties praat Herbert Blankesteijn met mij over de gepresenteerde ‘best practices’, en reflecteert daarop.

De sessie vindt vrijdag 5 oktober aanstaande plaats van 14.00 uur tot 15.00 uur. Deelname is gratis, inschrijven noodzakelijk.

Om je in te kunnen schrijven, moet je geregistreerd zijn in OpenU.

 
Toont 1 - 5 van 12 resultaten.
Items per pagina 5
van 3